Klinische richtlijnen 2000
INHOUD
Introductie
Een van de doelen van het Nederlands Genootschap van Abortusartsen
(NGvA) is het bevorderen en verbeteren van de abortushulpverlening.
Een belangrijk onderdeel daarvan is te garanderen dat vrouwen de
beste zorg krijgen aangeboden in een veilige en vertrouwenwekkende
omgeving. Het NGvA wijdt abortushulpverleners in nieuwe technieken
in. Bij deze biedt het NGvA een klinische standaard voor de abortushulpverlening
aan.
Het NGvA heeft een belangrijke herziening van haar standaarden
voor de abortushulpverlening bewerkstelligd door een verschuiving
van een via vallen en opstaan verkregen ervarings-geneeskunde naar
een op wetenschappelijke gronden gefundeerde werkwijze. Deze nieuwe
benadering heeft richtlijnen mogelijk gemaakt gebaseerd op overeenstemming
van inzichten en consensus. Een en ander is mede gebaseerd op ervaringsfeiten
en kennis van relevante literatuur.
Deze richtlijnen voorzien in een materiële basis voor continue
kwaliteitsgarantie en garanderen een minimumstandaard. Voor de kwalitatief
boven het gemiddelde werkende kliniek zijn zij in wezen overbodig.
Zij stimuleren de hulpverleners in het zich beperken tot aanvaarde
en beperkte zorg en zij helpen bij bewaking van de kosten.
NGvA's klinische richtlijnen, voor het eerst besproken binnen de
medische Commissie van STIMEZO Nederland in de jaren '70 worden
sedert 1993 opgetekend in het Nederlands Handboek van het NGvA.
Ten laatste hebben de richtlijnen een beschermend effect voor de
abortusarts tegen claims van cliënten die menen onjuist te
zijn behandeld.
Zij maken de meningen van experts van buiten de beroepsgroep in
eventuele juridische gedingen overbodig.
Systematisch worden in de NGvA klinische richtlijnen series van
uitspraken (beweringen, stellingen) gepostuleerd die de hulpverleners
bijstaan bij het nemen van beslissingen betreffende adequate zorg.
Zij vormen een poging om van uit het totaal van medische kennis
te komen tot een bruikbaar destillaat.
Wanneer het resultaat van een ingreep vast staat zijn de keuzes
die daartoe leiden beperkt. Maar wanneer de resultaten onzeker en
variabel zijn en/of indien de voorkeuren van de patient ook onzeker
en variabel zijn moeten de hulpverleners de mogelijkheid hebben
flexibel in te spelen op de individuele problematiek.
Dit wordt verduidelijkt door het creëren van drie graden van
richtlijnen afhankelijk van de toelaatbare flexibiliteit of keuze
mogelijkheid: Standaarden, Aanbevelingen en andere algemeen aanvaarde
mogelijkheden of Opties
1. STANDAARDEN zijn bedoeld als onvoorwaardelijk verplicht; er
moet in nagenoeg alle gevallen aan voldaan worden en afwijken ervan
zal zeldzaam zijn en moeilijk te rechtvaardigen.
2. AANBEVELINGEN zijn als richtlijnen bedoeld; zij hebben niet
delfde zwaarte als de standaarden maar indien er van afgeweken wordt
zal er een klinisch gerechtvaardigde en goed gedocumenteerde reden
voor moeten zijn.
3. OPTIES zijn neutraal m.b.t. de keuze van behandeling. Zij geven
aan dat er verschillende mogelijkheden zijn en dat verschillende
hulpverleners nu eenmaal verschillende voorkeuren hebben. Verschillende
keuze mogelijk-heden dragen bij tot het leerproces en behoeven op
zich geen rechtvaardiging.
De NGvA's Klinische richtlijnen geven literatuurverwijzingen waar
dit wenselijk wordt geacht en houden ook discussies in over controversiële
onderwerpen. Zij zijn bedoeld als "levende documentatie" die voorwerp
zijn van voortdurende herwaardering zodra nieuwe of betere informatie
ter beschikking komt. Jaarlijks vindt aanpassing plaats. Voor het
verkrijgen van de laatste "NGvA Klinische Richtlijnen" kunt U contact
opnemen met het Nederlands Genootschap van Abortusartsen; Gustav
Stresemannstraat 26,1111 KL Diemen.
literatuur:
1. Eddy DM. Clinical decision making: from theory to practice.
Designing a practice policy: standards, guidelines, and options.
JAMA 1990;263:3077
2. Nederlands Handboek voor de Abortushulpverlening 1999. Uitgave
NGvA. Bijlagen 9, 10 en 11.
3. Eddy DM. A manual for assessing health practices and designing
practice policies: the expliciet approach. Philadelphia: American
College of Physicians, 1992
4. Field M, Lohr K, Guidelines for clinical practice: from development
to use. Washington, DC: National Academy Press, 1992
5. Garnick D et al. Can practice guidelines reduce the number and
costs of malpractice claims? JAMA 1991;266:2856
6. Hadorn D et al. An annotated algorithm approach to clinical
guideline development. JAMA 1992;267:3311
7. Hayward RS et al. Users' guides to the medical literature. Vlll.
How to use clinical practice guidelines. A. Are the recommendations
valid? JAMA 1995;274:570 ,. James BC. Implementing guidelines through
clinic practice.
2. Wie verricht abortus provocatus
Uitgangspunt: Abortus arte provocatus (verder te noemen :"abortus")
is een veilige procedure wanneer die wordt uitgevoerd door gekwalificeerde
hulpverleners in een adequate situering.
Standaard 1: Abortus in een erkende abortuskliniek wordt uitgevoerd
door gecertificeerde artsen in overeenstemming met het bepaalde
in de Wetten BIG en WAZ en het registratie-reglement van het NGvA.
Standaard 2: Al het medisch en paramedisch personel dat deelneemt
aan de uitvoering van de abortus dient daarin getraind te zijn.
Zij moeten bekwaam zijn in het voorkomen en herkennen van, en het
weten hoe te handelen bij mogelijke complicaties. De bekwaamheid
daartoe schept de bevoegdheid.
Standaard 3: Artsen in opleiding tot abortusarts behandelen patiënten
onder verantwoording en toezicht van de opleider
Standaard 4. Indien niet tot behandeling wordt overgegaan, of deze
niet kan worden voortgezet, dient de kliniek de mogelijkheid te
hebben patiënten te verwijzen naar andere klinieken of instellingen
waar de zorg wel kan worden afgerond. (WAZ en de Wet "BIG")
3. De Intake: Voorbereiding, Informatieverstrekking
en toestemming
Uitgangspunt: Voorlichting, keuzevrijheid van de vrouw, en het
geven van toestemming tot de behandeling (informed consent) alsmede
hetgeen voor de indicatiestelling wettelijk vereist is vormen essentiele
onderdelen van de abortushulpverlening.
De intake bestaat uit een gesprek over de gevoelens en zorgen van
de vrouw die zich in een noodsituatie bevindt. Er is een grote verscheidenheid
in stijl waarop de intake kan worden gedaan. Geen enkele stijl is
superieur in alle situaties. De intake heeft geen therapeutisch
doel en is niet bedoeld voor een langere periode. Het contact is
meestal eenmalig. Verwijzen naar andere instanties en instellingen
moet mogelijk zijn als de problemen van cliënten buiten de
mogelijkheden van de intake-ster vallen, (bijvoorbeeld FIOM).
Standaard 5: Juiste voorlichting moet worden gegeven conform de
WGBO over de relevante risico's van het ondergaan van een abortus
provocatus.
Zie de lijst van relevante risico's in het aanhangsel onder 1.
Optie 1: Deze informatie kan zowel individueel als in groepsverband
worden verstrekt.
Standaard 6: Vastgelegd moet worden dat cliënte bevestigd
dat zij over de behandeling is voorgelicht en de procedure en alternatieven
kent. Tevens dat zij op de hoogte is van de potentiële risico's;
dat haar noodsituatie heeft geleid tot haar beslissing, en vaststaat
dat ze de zwangerschapsafbreking wenst te ondergaan. (Wat betreft
de werkwijze die bij het vaststellen van de noodsituatie wordt gevolgd
wordt verwezen naar het aanhangsel onder 2.)
Aanbeveling 1: Er moet de mogelijkheid bestaan de gevoelens van
de vrouw betreffende de abortus te bespreken.
Standaard 7: Een vrouw moet de abortus kunnen ondergaan zo spoedig
als mogelijk is in overeenstemming met de regels van de goede medische
praktijk .
Optie 2 Bij heel jonge zwangerschappen kan uitstellen van de ingreep
worden overwogen.
Standaard 8: Informatie over anticonceptie moet aangeboden zijn
in de instelling.
Standaard 9: Aan alle redelijke voorwaarden moet voldaan zijn om
de privacy te beschermen en het vertrouwen van de vrouw niet te
schaden.
Het doel van het "informed consent" is de verzekering dat de vrouw
de beslissing vrijwillig neemt en goed geïnformeerd is over
de gang van zaken. Dit is evenzeer noodzakelijk voor het voldoen
aan de wettelijke regelingen.
De intake kan een inventarisatie van de gevoelens van de vrouw
inhouden, hulp bieden bij de besluitvorming en het kiezen van anticonceptie,
of verwijzing naar andere instellingen betreffen.
Het uitleggen hoe de behandeling in zijn werk gaat en het verlagen
van het angstnivo zijn belangrijke onderdelen van de intake. Het
gesprek mag echter nooit een dwingend karakter krijgen of een opstakel
vormen voor de behandeling. Geen "hindernis die eerst genomen" moet
worden.
Vertrouwlijkheid is een van de peilers waarop het intakegesprek
berust.
"Derden" blijven op verzoek van de vrouw buiten de deur, en met
informatie wordt strikt vertrouwelijk omgegaan. (Privacy-reglement)
Aanbeveling 2. Extra zorg wordt besteed aan illegaal in ons land
verblijvenden, en aan personen zonder geld, die niet vallen onder
de regels voor financiering uit algemene middelen.
Literatuur:
1. Florian Willems: "Overwegingen bij de protocollisering van het
stellen van de abortusindicatie". Handboek NGvA, bijlage 11.
2. Baker A. Abortion and options counseling: a compreherlsive reference.
Granite City, IL: The Hope Clinic for Women 1995
3. Beresford T. Short-term relationship counseling. Baltimore:
Planned Parenthood of Maryland. 1988
4. Het gebruik van antibiotica rond de
behandeling
Optie 3: Daarvoor in aanmerking komende vrouwen ontvangen profylactisch
antibiotica tijdens of na de ingreep. (zie de NGvA-Handboektekst
voor het consensus besluit 1993, hfdt 12 blz 24: [Mildred-huis regime])
Aanbeveling 3: Therapeutische doseringen van antibiotica moeten
overwogen worden bij patiënten met een verhoogd risico.
Aanbeveling 4: Voor bekende gedocumenteerde infecties dienen gestandaardiseerde
NGvA-doseringsrichtlijnen te worden gevolgd. Handboek: hfdst 12.2.3.4
Discussie: Een onderzoek naar de bestaande relevante literatuur
ondersteunt universele antibiotisch behandeling van alle vrouwen
die een chirurgische abortus ondergaan.
Studies over grote series patiënten lieten geen conclusies
toe over het effect van het routinematig toedienen van antibiotica
op postoperatieve infecties. Als gevolg hiervan bestaan in de onderscheiden
klinieken verschillen in toedienings schemata. Het NGvA heeft daarom
uitsluitend richtlijnen uitgegeven betreffende patiënten met
verhoogd risico, waarbij gedoeld wordt op patiënten met een
Chlamydia infectie, meisjes onder de 21 jaar; vrouwen met wisselende
sex-contacten; bij het bestaan van muco-purulente afscheiding of
een andere soa; bij vrouwen met een voorafgaande infectie van het
inwendige genitaal apparaat, of na het plaatsen van een IUD post-abortum.
Een recentelijk gepubliceerde meta-analyse (zie lit. verw. 11.)
van gerandomiseerde, gecontroleerde klinische studies tussen 1966
en 1994 geeft aan dat los van welke risicograad ook, de vrouw gebaat
is bij antibiotica toediening. Verschillende types antibiotica komen
hiervoor in aanmerking:
Zo wordt thans voorgeschreven tegen:
| Chlamydia Trachomatis : |
Doxycycline 100 mg 2x dd. gedurende 7dagen |
| |
Azithromycin 1 g in 1 gift |
| |
Erythromycin dosering gebaseerd op het preparaat ged
7d |
| |
Ofloxacin 300 mg 2 x dd x 7d |
| Bacteriele vaginitis : |
Metronidazol 500 mg 2 x dd x 7d of 2 g in eens. |
Literatuur :
1. Blackwell AL. Health gains from screening for infection of the
lower genital tract in women attending for termination of pregnancy
Lancet l993;342:206
2. Darj E et al. Fhe prophylactic effect of doxvcycline on postoperative
infection rate after first-trimester abortion. Obstet Gynecol 1487;70:755
3. Grimes DA et al. Prophylactic antibiotics for curettage abortion.
Am J Obstet Gynecol 1984;l50:689
4. Hakim-Elahi E, Tovell H. Complications of first-trimester abortion:
a report of 170,000 cases. Obstet Gynecol 1990;76: 129
5. Larsson PG et al. Incidence of pelvic inflamatory disease after
first-trimester legal abortion in women with bacterial vaginosis
after treatment with metronidazole: a doubleblind randomized study.
Am J Obstet Gynecol 1992;166:100
6 Levallois P, Rioux J. Prophylactic antibiotics for suction curettage:
results of a clinical controlled trial. Obstet Gynecol 1988;153:lO0
7. McGregor IA. Prophylactic antibiotics unjustified for unselected
abortion patients. Am J Obstet Gynecol l985;152:722
8. Moller BR et al. Pelvic infection after elective abortion associated
with Chlamydia Trachomatis. Obstet Gynecol 1982; 59:210
9. Osser S, Persson K. Postabortal pelvic infection associated
with Chlamydia trachomatis and the influence of humoral immunity
Am J Obstet Gynecol 1984;150:699
10. Qvigstad E et al. Pelvic inflamatory disease associated with
Chlamydia Trachomatis after therapeutic abortion a prospective study
Br I Vener Dis 1983;59:189
11. Sawaya GF et al. Antibiotics at the time of induced abortion:
the case for universal prophylaxis based 071 a meta-analysis. Obstet
Gynecol 1996;87:884
12. Sawaya GF, Grimes DA. Preventing postabortal infection Contemp
Obstet Gynecol 1994;15:53
5. Preoperatieve endocarditis profylaxe
Uitgangspunt: Endocarditis is een potentieel risico van chirurgische
procedures waarbij bacteraemie optreedt.
Optie 4: Patiënten met een kunstklep in het hart, bacteriële
endocarditis in de voorgeschiedenis of een chirurgische pulmonaire
shunt, kunnen preoperatieve profylactisch antibiotica krijgen.
Optie 5: Patiënten met een mitralis klep prolaps met een hartgeruis
kunnen preoperatieve profylactische antibiotica krijgen.
Discussie: Een samenvatting van de literatuur over endocarditis
profylaxe geeft de volgende conclusie voor antibiotische profylaxe:
"Prophylaxe tegen endocarditis, dient te worden gereserveerd voor
riskante procedures bij patiënten met een ernstiger cardiale
afwijking. In alle andere gevallen moet profylaxe worden beschouwd
als een Optie of als onnodig. Prophylaxe wordt geadviseerd als zowel
de te ondergane ingreep als de aanwezige cardiale toestand een potentieel
risico opleveren. (zie lit. 2).
De American Heart Association (AHA) beveelt antibiotische profylaxe
niet aan als er geen infectie aanwezig is voor de volgende procedures:
Catheterisatie van de urinewegen, Dilatatie en curettage, ongecompliceerde
vaginale bevallingen, abortus, het inbrengen of verwijderen van
en I.U.D., sterilisatie procedures en laparoscopy.
De AHA definieert "afwezigheid van infectie" :
"Omdat er geen adequate, gecontroleerde klinische studies gedaan
zijn over antibiotische regimes voor de preventie van bacteriële
endocarditis bij de mens, worden alle aanbevelingen gedaan op grond
van in vitro studies, klinische ervaring, en gegevens verkregen
bij dierexperimenten van zowel de bacteriestammen die gemakkelijk
bacteraemien veroorzaken als de plaats van de infectie die de meeste
kans geeft op endocarditis."
literatuur:
1. Dajani AS et al. Prevention of bacterial endocarditis:
s by de American Heart Association. JAMA 1997; 277:1794
2. Durack DT. Prevention of infective endocarditis. N Engl J Med
1995;332:38
6. Rh factor bepaling en het toedienen van
Rh anti D immunoprofylaxe
Uitgangspunt: Rh immunisering is een gezondheidsrisico voor Rh(-)
vrouwen die een abortus ondergaan, bij een zwangerschapsduur van
langer dan 8 weken amenorrhoea.
Standaard 10: De Rhesus factor moet worden bepaald bij alle vrouwen
die een abortus ondergaan bij een zwangerschap verder gevorderd
dan 8 weken.
a. Deze bepaling kan worden gedaan binnen of buiten de abortuskliniek.
Standaard 11 :Rhesus anti-D immunoglobuline moet worden aangeboden
aan alle vrouwen die dat volgens deze richtlijnen nodig hebben.
Toediening wordt in de status van de vrouw vastgelegd.
Aanbeveling 5: Het noteren van het chargenummer van de Rh- anti
D kan worden overwogen.
Standaard 12: Als het Rh anti-D immunoglobuline in de kliniek niet
wordt toegediend, is een van de volgende maatregelen noodzakelijk:
a. Een gemotiveerd en ondertekende verklaring van de de arts en/of
de vrouw waarom hij/zij van de Rhesus anti-D toediening afziet.
b. Documentatie over elders toedienen van het anti-D.
Literatuur:
1. Baskett TF. Prevention of Rh alloimmunization: a cost-benefit
analysis. Can Med Assoc J 1990;142:337
2. Bowman J. de prevention of Rh immunization. Transfus Med Rev
1988,2:129
3. Chavez GFP Epidemiology of Rh hemolytic disease of de newborn
in de United States. JAMA 1991;263:3270
4. Commentary: immunoprophylaxis for rhesus disease: expensive
but worth it? Br JObstet Gynaeco] 1991;98:509
5. Gibble JW. Maternal immunity to red cell antigens and fetal
transfusion. Clin Lab Med 1992;12:553
6. Roberts H. de use of anti-D prophylaxis in de management of
miscarriage in general practice. Health Bull 1991;49:245
7. Echografie
Uitgangspunt: Echografie is een instrument dat zowel diagnostisch
als therapeutisch een waardevolle aanvulling biedt in de abortuspraktijk.
Standaard 13: Echoscopie is noodzakelijk voor het precieze vaststellen
van de lokalisatie van de zwangerschap en de zwangerschapsduur.
Aanbeveling 6: het maken van een controle echo post abortum is
belangrijk.
Aanbeveling 7: Bij vroege zwangerschappen kan gebruik van de echo-apparatuur
van waarde zijn bij het vaststellen van het effect van de behandeling.
Aanbeveling 8: Zowel in het eerste als in het tweede trimester
kan echografie tijdens de ingreep van waarde zijn voor het lokaliseren
van vruchtdelen en de extractie daarvan.
8. Sedatie
Uitgangspunt: toepassing van sedatie en/of analgesie kan pijn en
angst tijdens de abortus ingreep tot een minimum beperken. Tegenover
deze belangrijke winst staan niet te onderschatten risico's. Opgemerkt
wordt dat de mortaliteit ten gevolge van a.a.p., met name in het
buitenland, goeddeels het gevolg is van complicaties van toegediende
anesthesie.
Definities en begripsbepaling.
De term "sedatie" wordt omwille van de duidelijkheid gereserveerd
voor situaties waaraan een zekere verlaging van het bewustzijn verbonden
is.
Men onderscheidt de volgende sedatiescores:
1. Wakker en georiënteerd.
2. Enigszins slaperig
3. Ogen gesloten, verbale aanwijzingen opvolgend ("concious sedation")
4. Ogen gesloten,alleen wekbaar met fysische prikkel
5. Ogen gesloten, niet wekbaar met een fysische prikkel.
Korte perioden waarin in samenhang met een kortdurende pijnlijke
prikkel een sedatieniveau van 4 wordt bereikt kunnen soms aanvaardbaar
worden geacht.
Bij sedatie wordt gestreefd een score 3 niet te overschrijden.
Personeel en bewaking :
Standaard 14: Als sedatie of algehele anesthesie wordt toegepast
dient het bewustzijnsniveau gecontroleerd en gedocumenteerd te worden.
Standaard 15: Wanneer sedatie wordt toegepast, dient een andere
persoon dan de operateur, bekwaam in het observeren en vaststellen
van de bewustzijnsgraad en de parameters daarvan aanwezig te zijn.
Standaard 16: indien diepe sedatie wordt toegepast moet de bewaking
dusdanig zijn dat het effect van de toegediende farmaca op de circulatie
en ademhaling onmiddellijk kan worden waargenomen.
Standaard 17: Het gebruik van de Puls-oximeter kan hierin voorzien.
Standaard 18: Indien er algehele anesthesie wordt toegediend moet
de arts die dit doet niet dezelfde zijn als degene die de abortus
uitvoert.
Voorzieningen en personeel. (Zie ook 16. de noodprocedures.)
Discussie: Alle medicatie gebruikt bij de sedatie houdt een potentieel
gevaar in. Dit risico wordt beperkt door het toedienen van in de
praktijk veilig gebleken stoffen en het hanteren van gevestigde
praktijk normen en protocollen. Vaak zijn deze protocollen gebaseerd
op verhoudingen zoals die in algemene ziekenhuizen gelden. Abortus
patiënten echter vormen over het algemeen een groep gezonde
jonge individuen zonder de gezondheids problematiek die in de algemene
ziekenhuizen wordt aangetroffen.(zie lit. 10).
De NGvA richtlijnen vermelden specifiek het gebruik van de conventionele
anesthetica, zowel lokaal als systemisch. Het wordt bekend verondersteld
dat het welzijn en de angstvermindering niet alleen daarvan het
gevolg zijn. De voorbereiding van de vrouwen door de medewerkers
in de kliniek zijn van een even groot gewicht. Door de ontwikkelingen
in de laatste jaren, waarbij de cliënten mondiger en veeleisende
zijn geworden, vooral ook wat de pijnbestrijding aangaat, ligt de
nadruk van de NGvA richtlijnen op het veilig en zeker werken met
farmacologisch producten zoals die nu in een poliklinische setting
gebruikelijk en wenselijk zijn.
Literatuur
1. ADAS Newslett 1988,26:2. As reported by Rosenberg MB, Campbell
RL. Guidelines for intraoperative monitoring of dental patients
undergoing conscious sedation, deep sedation, and general Anesthesia.
Oral Surg Oral Med Orai Pathol 1991,71:2
2. Atrash E IK et al. Legal abortus mortality and general anesthesia.
Am J Obstet Gynecol 1988;158:426
3. Biliy PL at al. Frequent hypoxemia and apnea after sedation
with midazolam and fentanyl. Anesthesiology :1999;73: 826
4. Nederlands Handboek voor de Abortushulpverlening. Hoofdstuk
3.
5. Consensus bijeenkomst "Sedatie en/of analgesie door niet Anesthesiolohgen"
Amersfoort 13-2-1998
6. Sedatie en/of analgesie door niet-anestesiologen.
(resultaat van een CBO- consensusbijeenkomst dd 13-2 1998)
7. Dodson SR et al. Continuous oxygyn saturaticn monitoring during
cardiac catherisation in adults. Chest 1988,94:28
8. Eichhorn JH et al. Standaard for patient monitoring during,
aiesthesia at Harvard Medical Sehool. JAMA 19X;256:617
9. Lavies NG et al. Arterial oxygen saturation during upper gastrointestinal
endoscopy: influence of sedation and operator experienee. Am J Gastroenterol
1988;83:618
10. Couneil I. Scientific Affairs, American Medical Assceiaticn.
de use of pulse oximetry during conseious sedation. AMA 1993;270:
] 463
11. Morlote EB et al. Hemodynamic monitoring and pulse oximetry
during percutaneous gastrostomy and jejunostomy: neccecity of nuisance?
urg Endose 199];5:13()
12. Raamer DB et al. Hypoxemia during ambulatory gynecologie surgery
as evaluated by de pulse oximeter. J Clin Monit 1987;3:244
13. Standaards for abortus eare. Washington, DC: National abortus
Federation, 1986
14. E. Iclzma 1 RS et al. Guidelines for sedation by non-anesthesiologist
during diagnostic and therapeutic proceedures. J Clin Anesth 1994;6:265
ANESTHESIE: aanhangsel . CLASSIFICATIE VAN DE FYSIEKE STATUS
1. Een normale gezonde persoon
2. Een persoon met een niet ernstige systhematische zikete
3. Een persoon met en ernstige systhematische ziekte
4. Een persoon met een ernstige systhematisch ziekte dei constant
levensbedreigend is,
5. Een stervende patiënt die niet overleven zal zonder de operatieve
ingreep
Notitie:
1. Abortus clientes behoren bij definitie door hun zwangerschap
tot klasse 2 slechts enkelen behoren tot klasse 3, en alleen een
hoog uitzondelijke patient zal in klasse 4 thuis horen. Deze laatste
komt al niet in aanmerking voor behandeling in de poliklinieken.
2 De belangrijkste oorzaken voor een classificatie in klasse 3
zal zijn door bv overmatige vetzucht of een actieve asthma of chronische
bronchitis.
Een slecht gereguleerde hypertensie of diabetes met vasculaire,
oculaire of renale complicaties, komt af en toe voor.
9. De eerste
trimester abortus procedure
Uitgangspunt: Abortus provocatus is een van de veiligste chirurgische
procedures. De volgende richtlijnen garanderen die veiligheid.
Preoperative Procedures
Standaard 18. de ingreep wordt verricht door een daartoe opgeleide
en gecertificeerde abortusarts.
Standaard 19: Een medische anamnese moet worden afgenomen en gedocumenteerd.
Standaard 20: Een Intrauteriene zwangerschap moet worden vastgesteld.
Aanbeveling 9 : Het verrichten van bimanueel onderzoek en het vaginaal
toucher kan belangrijke informatie verschaffen.
Standaard 21: De zwangerschapsduur moet zijn gecontroleerd en vastgelegd
in de status.
Optie 6 : Hct of Hgb wordt bepaald bij vrouwen met een anaemie
in de anamnese of bij het vermoeden daarvan.
Optie 7: Vitale functies zoals pols en bloeddruk worden bepaald.
Verder algemeen lichamelijk onderzoek alleen als de ananmnese daartoe
aanleiding geeft.
Discussie: Het gaat bij het vooronderzoek niet om "zo veel mogelijk"
gegevens te verzamelen maar alleen om na te gaan of er fysieke contra-indicaties
bestaan voor de ingreep. Veelal is zelfs het meten van de bloeddruk
overbodig. Dit laatste temeer omdat de stresstoestand van de vrouw
voor de ingreep geen reële waarde geeft en dus ongeschikt is als
eventuele referentie voor ná de behandeling.
Operatieve Procedure
Standaard 22: Alle instrumenten die in de baarmoeder worden ingebracht
moeten steriel zijn.
Aanbeveling 10: De vagina kan worden schoongemaakt en ontsmet met
een desinfectans zoals Betadine® of Hibitane®
Optie 8 : Voor de behandeling wordt 0,5 mg Atropine IV toegediend
Standaard 23: Pijnbestrijding moet beschikbaar zijn.
Aanbeveling11: De cervix wordt voorzichtig en geleidelijk opgerekt,
bij voorkeur met atraumatische, conische dilatatoren (vlgs Pratt
of Hawkin Amblers)
Postoperatieve Procedures
Standaard 24: Het resultaat van de behandeling wordt gecontroleerd
en vastgelegd door de behandelende arts.
Standaard 25: Rh anti-D imunoglobuline moet aanwezig zijn om toe
te dienen aan die vrouwen die daarvoor in aanmerking komen. (zie
boven)
Aanbeveling 12: De medische staf dient zich te houden aan het protocol
voor de nazorg.
10 Tweede trimester abortus procedure
d.m.v. dilatatie en evacuatie.
Uitgangspunt: tweede trimester abortus d.m.v. D&E is een veilige
procedure als ze wordt uitgevoerd door een gecertificeerde tweede
trimesterabortusarts die door het regelmatig verrichten van voldoende
behandelingen zijn/haar ervaring bijhoudt. Bij toenemende zwangerschapsduur
nemen de risico's van de behandeling toe.
Preoperatieve Procedure
Standaard 26: Een medische anamnese moet worden afgenomen en gedocumenteerd.
Aanbeveling 10: Bij een patiënte met een sectio caesaria in de
anamnese moet aandacht worden besteed aan de situering van de placenta.
Aanbeveling 11: Vitale functies zoals pols en bloeddruk worden
bepaald Verder algemeen lichamelijk onderzoek alleen als de anamnese
daartoe aanleiding geeft. (Auscultatie)
Standaard 27: De zwangerschapsduur moet worden vastgesteld d.m.v.
echoscopisch onderzoek.
Aanbeveling 12. Voorbereiding (priming) van de cervix bij alle
tweede trimester clientes d.m.v. misoprostol 400 mcg, oraal, buccaal
of vaginaal toegediend gedurende tenminste 1 uur voor de ingreep
is aan te bevelen.
Aanbeveling 13: Preoperatieve bepaling van het Hgb of Hct kan worden
overwogen indien de anamnese daartoe aanleiding geeft.
De Operatieve Procedure
Standaard 28: voldoende dilatatie van de cervix moet worden geëffectueerd
en deze dilatatie moet voorzichtig en geleidelijk worden bewerkstelligd.
Optie 9: Om bij een zwangerschapsduur van meer dan 18 weken intra-uterine
vruchtdood te bewerkstelligen, kan bij die behandelingen een intra-amniotische
of intrafoetale injectie gegeven worden. Dit kan ook bereikt worden
door het doorsnijden van de navelstreng.
Aanbeveling 14: Om te voorkomen dat foetaal materiaal of vruchtwater
in de maternale circulatie geraakt, wordt, - zo mogelijk- , de placenta
het laatst verwijderd.
Optie 10: Decompressie van het foetale cranium en het eerst verwijderen
van de schedelinhoud dmv aspiratie kan evacuatie van de foetus vereenvoudigen
en DIC helpen voorkomen.
Standaard 29: Alle instrumenten die in de uterus gebracht worden,
dienen steriel te zijn.
Standaard 30: Het noodzakelijk instrumentarium voor tweede trimester
ingrepen moet voorhanden zijn. (zie het aanhangsel onder 3)
Standaard 31. De volgende medicijnen moeten aanwezig zijn: Medicijnen
voor pijnbestrijding, uterotonica, anti-allergica, anti-epileptica,
parasympaticolytica, (zie aanhangsel 4)
Aanbeveling 15: Een vasoconstrictivum wordt gebruikt in het paracervicale
blok. (zie lit. 2, 5, 7, 8).
Optie 11: Peroperatieve echoscopie kan de evacuatie van de baarmoeder
vergemakkelijken.
Aanbeveling 16: Bij tweede trimester ingrepen wordt een intraveneuze
weg preo-operatief gerealiseerd.
Standaard 32: Bij zwangerschapsafbrekingen van meer dan 15 weken
wordt altijd een I.V. toegang aangelegd.
Postoperative Procedure
Standaard 33: Het voltooid zijn van de behandeling moet worden
gecontroleerd en gedocumenteerd door de behandelend arts.
Standaard 34: Klinische richtlijnen inzake de Postoperatieve zorg
moeten worden gevolgd.
Optie 12: Uterotonica kunnen worden voorgeschreven of aan de patiënt
worden meegegeven.
Discussie: tweede trimester procedures omvatten ongeveer 6 % van
de abortussen die in Nederland worden uitgevoerd. Voor uitvoering
van de D & E techniek is een speciaal instrumentarium,
een gedegen opleiding en grote handvaardigheid nodig. Bij de huidige
stand van wetenschap is D&E nog steeds de veiligste methode
voor een tweede trimester abortus.
Literatuur
l. Berkowitz RL et al. First-trimester transabdominal multifetal
zwangerschap reduction: a report of two hundred completed cases.
Am J Obstet Gynecol 1993;169:17
2.Dillon TF. Vasopressin as a hemostatic in gynecology surgery
Am J Obstet Gynecol 1989;78:l285
3.Fletcher JC et al. Fetal intracardiac potassium chloride injection
to avoid the hopeless resuscitation of een abnormal fetus. II. Ethical
issues. Obstet Gynecol 1992;80:310
4. Grimes DA, Schulz KF. Morbidity and mortality from second-trimester
abortus. J Reprod Med 1985;30:505
5. Julian TM. Vasopressin use during vaginal surgery. Contemp Obstet
Gynecol 1993;38:82
6. Lawson HW et al. abortus mortality: United States, 1972 through
1987. Am J Obstet Gynecol 1994;171:1365
7. Phillips DR et al. de effect of dilute vasopressin solution
on de force needed for cervical dilatation: a randomixed controlled
trial. Obstet Gynecol 1997;89:507
8. chultz KF et a]. Vasopressin reduces blood loss from second
trimester dilatation and evacuation abortus. Lancet 1985;11: 353
9. Townsend DE et al. Vasopressin and operative hysteroscopy in
the management of delayed postabortion and postpartum bloeding.
Am J Obstet Gynecol 1991;165:616
Goede en bruikbare abortustangen zijn, in grootte oplopend, die
volgens van Lith/van Schie, Mac Lintock, Finks, Sopher en Bierer.
11. Complicaties, ernstige
bloeding
Uitgangspunt: Een van de ernstigste complicaties tijdens of na
een abortus- procedure is fluxus. Vroegtijdige herkenning ervan
en opsporing van de oorzaak kan de morbiditeit en mortaliteit beperken.
Preoperatieve Bloeding
Aanbeveling 17: een ectopische of heterotopische zwangerschap of
het bestaan van een spontane abortus moet worden overwogen.
Peroperative bloeding
Standaard 35: Wanneer er een ernstige bloeding bestaat, moet de
behandelende arts alles in het werk stellen om de oorzaak daarvan
op te sporen.
Aanbeveling 18: de behandelende arts moet uitsluiten dat hij/zij
te maken heeft met, (fibro-)myomata, beschadigingen van de cervix
of de uteruswand, een perforatie, placenta accreta, cervicale zwangerschap,
of een coagulopathie.
Aanbeveling 19: Om te controleren of de uterus leeg is, is echoscopie
een belangrijk hulpmiddel.
Optie 13: Als een cervicale bloeding wordt verondersteld, kan stelpen
worden bewerkstelligd door compressie van de cervix in de fornices
laterales met behulp van een tang, d.m.v. de "handgreep van Boissevain",
of door het leggen van een hoge, diepe hechting.
Standaard 36: Als verdenking bestaat op een "DIC" is met spoed
insturen van de patiënt noodzakelijk.
Aanbeveling 20: Blijft excessieve bloeding bestaan, dan zijn de
volgende maatregelen te nemen :
a. Bloeddruk bepaling en het schriftelijk vastleggen daarvan, alsook
de pols en de ademhalingsfrequentie
b. Het toedienen van uterotonica
c. Het aanleggen van een intraveneus infuus,
d. begin met maatregelen om het bloedvolume aan te vullen (plasma-extenders)
e. Maak de patiënt klaar voor overplaatsing naar het achterwacht
ziekenhuis.
Standaard 37: Als de bloeding niet reageert op de therapeutische
maatregelen en haar hemodynamisch toestand zich niet stabiliseert,
moet de patient moet worden overgeplaatst naar het achterwacht ziekenhuis
Bloeding na een zeker tijdsverloop
Standaard 38: als een patient ernstig bloedverlies meldt na ontslag
uit de abortuskliniek, moet zij ter zake kundig te woord worden
gestaan en adequaat worden doorverwezen naar een EHBO post in het
dichtstbijzijnde ziekenhuis.
Discussie: Een ernstige nabloeding in de peroperatieve en postoperatieve
periode is bijna altijd het gevolg van een cervix of uteruslaesie,
of het achterblijven van foetale- of placentaresten in de uterus.
Daarom moet allereerst geprobeerd worden vast te stellen of de uterus
leeg is. Een zo hoog mogelijke tonus van de baarmoeder kan worden
bereikt d.m.v. IV syntocinon en/of het geven van misoprostol 400
mcg buccaal of per os. IV toediening van syntocinon kan een aanzienlijke
bloeddrukdaling ten gevolge hebben.
Extra risico's loopt men als de ernst van de bloeding niet wordt
onderkend, of de vrouw te vlug wordt ontslagen.
Een goede observatie van de vrouw en regelmatige pols- en bloeddruk
controle als ook het welbevinden van de vrouw, zijn belangrijke
indicatoren.
Een preventieve maatregel bestaat uit het preoperatief toedienen
van urterotonica en/of vasoconstrictors. Gebruikelijke maatregelen
zijn hiertoe:
Methergine 0.2 mg i.v. even voor de ingreep. Anderen gebruiken
Adrenaline 1:200.000 of nor-adrenaline 1:100.000 in het (para-)cervicale
block
Als de bloeding niet stopt na constatering dat de baarmoeder geheel
leeg is en er geen duidelijke beschadiging van de cervix is vast
te stellen, zal er wellicht een perforatie, een placenta acreta
of increta of een stollingsstoornis bestaan.
Standaard 39. Bij een complicatie wordt de huisarts en/of de verwijzende
instantie daarvan in kennis gesteld.
Literatuur
I. Hakim-Elahi E, lovell H. Complications of first-trimester abortus:
a report of 170,000 cases. Obstet Gynecol 1990;76: 129
12.
Complicaties: perforatie
Uitgangspunt: perforatie van de uterus is een complicatie van abortus
die leiden kan tot een aanzienlijk morbiditeit.
Standaard 40: Als de behandelende arts bemerkt dat een instrument
verder dan verwacht in de uterus verdwijnt moet een perforatie worden
overwogen.
Standaard 41: Als er een perforatie plaatsvindt tijdens een eerste
trimesteringreep, is, zelfs bij het ontbreken van klinische symptomen,
een langduriger en zorgvuldiger observatie als ook herhaalde bloeddruk
controle noodzakelijk.
Discussie: Mogelijkerwijs treedt bloedverlies in de vrije buikholte
op. Is dit gering, dan zullen pas later en geleidelijkaan pijnklachten
ontstaan.
Bepalend voor het beleid na deze complicatie is waar en hoe de
perforatie is ontstaan. Perforatie in fundo met een scherp instrument
is veel minder riskant dan een meer naar lateraal gemaakte perforatie
(waar meer grote bloedvaten lopen) met bijvoorbeeld een zuigbuis
die op dat moment op de pomp was aangesloten. (zie ook de discussie
onder standaard 44)
Standaard 42: Patiënten waarbij een perforatie is gemaakt met een
metalen curette of een abortustang tijdens een tweede trimester
ingreep dienen altijd, en terstond naar het achterwacht ziekenhuis
te worden ingestuurd.
Aanbeveling 21: De gebruikelijk antibiotica worden toegediend in
een hogere (therapeutische) dosering.
Optie 15: Uterotonica, bij voorkeur misoprostol, kunnen evenzo
worden gegeven. (zie discussie bij nabloeding)
Optie 16: de patient kan worden vervoerd naar het achterwacht ziekenhuis
Aanbeveling 22 : de uterus kan alsnog worden geleegd onder echocontrole.
Standaard 43: de patiënt moet worden ingestuurd als:
a. Delen van buikorganen in de baarmoeder zijn getrokken, of a
vue in de vagina verschijnen: darm, omentum e.d. of als vetweefsel
in het curettement wordt aangetroffen;
b. Foetale delen in de buikholte zijn terecht gekomen;
c. Een in grootte toenemend haematoma in de buikholte wordt gevoeld,
of echografisch vastgesteld;
d. De vrouw hemodynamisch niet meer spontaan stabiel wordt. (pols
is snel en de bloeddruk daalt).
Standaard 44: Wanneer aan een uterusperforatie met de zuigbuis
wordt gedacht, dient eerst de negatieve druk te worden gecompenseerd
alvorens de zuigbuis terug te trekken.
Discussie: Perforaties zijn soms moeilijk vast te stellen. Bij
twijfel handelt men het beste alsof er wel degelijk een perforatie
bestaat tot het tegendeel is aangetoond. In het eerste trimester
zijn de meeste perforaties zijn in de mediaanlijn en/of in de fundus
uteri . Perforaties aldaar zijn vaak occult en vormen geen ernstig
probleem tenzij zij met een zuigbuis "in werking" zijn veroorzaakt.
In het tweede trimester is er een toenemend risico op ernstige beschadigingen
en bloedingen door de snel toenemende doorbloeding van de zwangere
uterus. Laterale perforaties geven al snel aanleiding tot ernstige
bloedingen. Perforaties treden vaker op in de volgende gevallen:
1. Bij "grande" multiparae
2. Bij jonge multiparae, vooral als zij nog zeer jonge kinderen
hebben
3. Liggingsafwijkingen van de baarmoeder, vooral gefixeerde anteflexies
.
4. Stenose van het ostium internum die meer kracht bij dilatatie
vereist.
5. Anatomische afwijkingen (myomata, septa, etc)
6. Moeizame en langdurige behandelingen
Aan een perforatie moet gedacht worden als:
1. een instrument zonder weerstand te ondervinden verder dan verwacht
in de baarmoeder verdwijnt.
2. de patiënt veel meer pijn aangeeft dan normaal.
3. de patiënt heftige en niet minder wordende pijn aangeeft in
de herstelperiode.
Sommige factoren kunnen bijdragen tot het voorkomen van perforaties
1. De uterus naar voren trekken, en gecontroleerde spanning op
de aanhaaktang houden
2 Een steriele crème of gel gebruiken om de dilatatoren
gladder te maken
3. Geleidelijk in omvang toenemende (conische-) dilatatoren gebruiken
bijv: die volgens Hawkins Ambler.
4. Correct vaststellen van de zwangerschapsduur.
5. Het werken onder echocontrole
Literatuur
1. Elchalal U et al. Ultrasound-directed diagnosis and treatment
of pelvic hematoma after therapeutic abortion J Clin echoscopie
1993;21:55
2 Freiman SM, Wulff CJ Jr. Management of uterine perforation following
elective abortion J Obstet Gvnecol 1977;50:647
3. Kaali SG et al. Jhe frequency and management of uterine perforations
during first-trimester abortions. Am J Obstet Gynecol 1989;161:4(16
4. Lajinian S et al. Sonographic appearance of suspected iatrogenic
uterine perforation. J Reprod Med 1994;39:911
5. Lauersen NH, Binbaum S. Laparoscopy as a diagnostic and therapeutic
technigue in uterine perforations during firsttrimester abortions.
Am J Obstet Gynecol 1973;117:522
6. White MK et al. A case-control study of uterine perforations
documented at laparoscopy Am J Obstet Gynecil 1977;129: 623
13 Nazorg
Uitgangspunt: De meeste serieuze complicaties van abortus worden
vastgesteld in de periode volgend op de ingreep. Een goede nazorg
voorkomt onaangename verrassingen.
Standaard 45: Na de ingreep blijft de vrouw gedurende een door
de arts vast te stellen periode in observatie. Tijdens deze observatie
periode wordt de vrouw gecontroleerd op pijn, bloedverlies, bloeddruk
e.d. volgens een vast schema.
Standaard 46: Ten minste één arts blijft in de kliniek aanwezig
tot alle patiënten na hun controleperiode in goede toestand
zijn ontslagen.
Standaard 47: de patiënt krijgt geschreven instructies mee betreffende
de symptomen van eventuele complicaties en hoe dan te handelen.
Standaard 48: de tweede trimester-kliniek moet de beschikking hebben
over een noodtelefoon die een 24 uurs bereikbaarheid garandeert
(WAZ).
Optie 17: Een nacontrole formulier kan worden meegegeven waarop
degene die de nacontrole verricht, bevindingen noteert en naar de
kliniek terugzendt.
14. Onderzoek van
het zwangerschapsproduct
Uitgangspunt: Complete verwijdering en controle van het zwangerschapsproduct
helpt complicaties te voorkomen.
Standaard 49: Het curettement wordt nagekeken voordat de vrouw
de behandelkamer verlaat.
Aanbeveling 23: Ter identificatie van het zwangerschapsproduct
wordt na eerste trimester ingrepen het curettement nagekeken, ondergedompeld
in water, met bij voorkeur belichting van onderen
Standaard 50: Als blijkt dat onvoldoende weefsel is verkregen,
moet meteen een hercurettage volgen.
Aanbeveling 24: Directe controle echografie na de behandeling moet
worden overwogen.
Standaard 51: Als na hercurettage wederom geen zwangerschapsweefsel
is verkregen, en de zwangerschap overtuigend is vastgesteld, moet
insturen naar het achterwacht ziekenhuis volgen om een ectopische-
of heterotopische zwangerschap uit te sluiten. De patiënt, en de
verwijzende instantie moet worden geïnformeerd over de risico's
en symptomen van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap.
Standaard 52: de patiënt moet niet uit de nazorg worden ontslagen
zolang de diagnose EUG niet is uitgesloten of een zorgvuldige overdracht
van de casus aan de verwijzende arts of medische instantie heeft
plaatsgevonden.
Deze verwijzing naar de gynaecoloog of het achterwacht ziekenhuis
dient met spoed plaats te vinden. Een en ander wordt zorgvuldig
in de status gedocumenteerd.
Aanbeveling 25. Ook als de vrouw niet verwezen is, wordt met haar
overlegd over het belang van informatie aan de huisarts.
Standaard 53: Bij een tweede trimester abortusprocedure, moet de
placenta en alle vruchtdelen uit de uterus worden verwijderd.
Aanbeveling 26: Als de bovenstaande bestanddelen van het zwangerschapsproduct
niet kunnen worden aangetoond in het curettement, moet het volgende
worden overwogen: 1. echoscopische evaluatie, 2. toediening van
uterotonica en 3 daarna een herhaalde exploratie van de uterus.
Aanbeveling 27: De behandelend arts zet de behandeling voort tot
de abortus compleet is. Indien dit niet overtuigend kan worden vastgesteld,
volgt consultatie van "de tweede arts" .
Optie 18: Het evacueren van de baarmoederinhoud onder echoscopische
controle kan de ingreep vergemakkelijken.
15. Het afvoeren van het
foetaal materiaal
Uitgangspunt: Het onjuist verwijderen en/of bewaren van foetaal
weefsel kan leiden tot besmetting. Er dient in de kliniek een protocol
te zijn betreffende het afvoeren van foetaal materiaal. Duidelijk
moet zijn onder wiens verantwoordelijkheid dit valt, en hoe de controle
verloopt op de juiste uitvoering van die richtlijnen.
Standaard 54: Elk chirurgisch verwijderd weefsel vormt potentieel
een gezondheidsrisico en moet verwijderd worden volgens richtlijnen
van de (lokale-) overheid.
Standaard 55: Er moet worden zorggedragen voor de bescherming van
het medisch personeel in de kliniek. (Zie voorschriften "Infectiepreventie"
van de inspectie volksgezondheid)
16 Noodvoorzieningen
Uitgangspunt: Optimale voorbereiding op medische calamiteiten vermindert
het risico ervan.
Standaard 56: Iedere arts en verpleegkundige medewerker dient te
weten waar goed functionerend instrumentarium zich bevindt, hoe
noodvoorzieningen werken en waar medicijnen voor noodgevallen zijn
opgeslagen. Aan het begin van iedere behandeldag wordt nagegaan
of deze instrumenten cq medicijnen "stand by" zijn. Hieronder valt
ook het functioneren van de zuurstofvoorziening, afzuigapparatuur
e.d.
Aanbeveling 28: De klinieken zouden een vaste ruimte moeten inrichten
voor het bewaren van noodapparatuur (bv airways), reserve medicamenten
en medische instrumenten.
Aanbeveling 29: Protocollen moeten worden ontwikkeld om continue
training van de staf in het correct omgaan met de noodaparatuur
te garanderen.
Standaard 57: Tot de noodmedicijnen die in de kliniek aanwezig
en onder handbereik dienen te zijn worden gerekend: (zie bijlage
1)
Standaard 58: Al de medische en paramedisch stafleden dienen met
enige regelmaat cursussen in reanimatie te volgen.
Standaard 59: Indien sedatie door niet-anesthesiologen plaatsvindt
dienen de richtlijnen uit het CDO rapport "Sedatie door niet-anaesthesisten"
te worden gevolgd .
Deze klinische richtlijnen vormden onderwerp van discussie op de
algemene ledenvergaderingen dd 27-11-99, en 8 april 2000. Zij zijn
afgerond en goedgekeurd tijdens de ALV op 4 november 2000.
Aanhangsel
bijlage 1.
Noodmedicijnen, die aanwezig dienen te zijn in de klinieken.
A )tegen allergische reacties en anafylaxie:
1.Tavegyl ® ampullen a 2 mg
2. Adrenaline 1 mg per ml ampullen.
3. Hydrocortison injecties, bv: Solu-Cortef ® 100mg/2ml
B) antidota
voor benzodiazepinen (diazepam & midazolam):
Anexate ® (flumazenil; 10 ml bevat 1 mg)
voor opiaten:
Narcan® 0,4 mg/ml (werkt ook bij de fentanyl groep: Fentanyl ®,
alfenanyl [Rapifen®] enremifenanyl [Ultiva ®])
C )voor de symptomatische behandeling van asthma:
Berotec ® inhalatievloeistof
salbutamol, (Ventolin®) injectie a 1 ml.
D ) Antiemetica, bv: Zofran® zetpillen of injectievloeistof.
E ) Bij cardiale pathologie: (aritmieën, tachycardieën, hypertensie)
propanololHCl ( Inderal®) ampullen a 1 ml.
F ) Voor hoestdemping efedrine Hcl 25 mg / amp.
G )Tegen acute bronchospasmen
Euphyllin®ampullen (10 ml bevat 175 mg theophylline).
Aanhangsel anesthesie (2)
CLASSIFICATIE VAN DE FYSIEKE STATUS
- Een normale gezonde persoon
- Een persoon met een niet ernstige systematische ziekte
- Een persoon met en ernstige systematische ziekte
- Een persoon met een ernstige systematisch ziekte dei constant
levensbedreigend is,
- Een stervende patiënt die niet overleven zal zonder de operatieve
ingreep.
Notitie:
1. Abortus clientes behoren bij definitie door hun zwangerschap
tot klasse 2; slechts enkelen behoren tot klasse 3.
Alleen een hoog uitzondelijke patiënt zal in klasse 4 thuis horen.
Deze laatste komt niet in aanmerking voor behandeling in de abortuspoliklinieken.
2. De belangrijkste oorzaken voor een klassificatie in klasse 3
zal zijn door bv overmatige vetzucht of een actieve astma of chronische
bronchitis.
Een slecht gereguleerde hypertensie of diabetes met vasculaire,
oculaire of renale complicaties, komt af en toe voor.
Aanhangsel 3. (blz 13, standaard 30)
Benodigd instrumentarium voor tweede trimester ingrepen.
Specula van het type Colin of achterwandspecula (meerdere modellen
voldoen)
Dilatatoren volgens Hawkins Ambler van 6 / 9 tot en met 17 / 20
Aanhaaktangen, bij voorkeur met meer tanden ("a-traumatisch")
Een Mc Clintock forceps,
"leidse" tangetjes volgens vanLith-vanSchie van 8 en 10 mm
Een middel-Finks forceps (13 mm) en eventueel een grote Finks Forceps
(15 mm)
Evans curettes in verschillende breedtes 5, 8 en 10 mm
Een 10-buis (metaal of plastic voor het "nazuigen")
Aanhangsel 4 (blz 13 standaard 31)
Meest gebruikte medicamenten in de abortusklinieken.
- Voor het voorkomen en behandelen van vasovagale reacties: atropine
0,5 mg
- Methergine of ermetrineampullen (niet voor eerste trimester)
- Lokale anesthetica, zie handboek hoofdstuk 3.5
- Analgetica, zie handboek hoofdstuk 3.8 e.v. Oraal, voor of
na de behandeling:Ibuprofen tabletten of suppositoria van 400
mg.
- Anxiollytica, Diazepam, Midazolam voor IM, IV toediening of
tabletten resp 10 en 5mg
- Antiemetica, bijvoorbeeld Zofran® 4 mg zetpillen.
Met dank aan Rein Bellens voor de taalcorrecties.
Joeri van den Bergh, Castricum 20-11-2000
|