
Functie van de beroepscode: De functie is drieledig
p.m. De Beroepscode omvat uitdrukkelijk niet een taakomschrijving of een functietypering van de abortusarts in zijn of haar deskundigheid als hulpverlener.
Dit bij onderkenning dat de abortusarts in verschillende hoedanigheden kan optreden, zoals hulpverlener, adviseur, voorlichter, beoordelaar, docent, wetenschappelijk onderzoeker, en andere mogelijke hoedanigheden meer, maar ook als collega en lid van het Nederlands Genootschap van Abortusartsen en The International Society of Abortion Doctors.
Werkingssfeer van de code
De beroepscode wordt van toepassing geacht op allen die als abortusarts werkzaam zijn en lid zijn van het NGvA, als wel voor andere, niet bij haar geregistreerde artsen die op eigen gezag en verantwoording als dusdanig werkzaam zijn.
De beroepscode vooronderstelt de grondwet, het strafrecht, de wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG), de Wet Afbreking Zwangerschap(WAZ), de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO), de ARBO-wet en alle andere relevante wettelijk vastgelegde regelgeving en vormt daarop een aanvulling.
Doelen en uitgangspunten
De abortusarts heeft de taak bij te dragen aan het welbevinden van hen die zich tot hem wenden. Hij doet dat door het diagnostiseren van de zwangerschap van de zich voor behandeling aangemelde cliënte, en het al dan niet afbreken van haar ongewenste zwangerschap na evaluatie van de toestand waarin aanvraagster en (eventueel haar partner) zich bevindt(en).
Evenzeer heeft de abortusarts tot taak het beroep van de abortusarts als discipline de status te geven en te laten behouden, die nodig is om aan de hiervoor genoemde taakstelling uitvoering te kunnen (blijven) geven.
De abortusarts laat zich hierbij leiden door de volgende algemene uitgangspunten:
Deze uitgangspunten veronderstellen:
Inwerkingtreding
De code heeft met ingang van 18 oktober 1997 bindende kracht voor alle als abortusarts werkzame leden van het NGvA, zowel als voor de door het NGvA geregistreerde abortusartsen die geen lid van de vakgroep zijn.
1.1. Onverlet de in de diverse - voor de basisdisciplines van de abortusarts geldige - algemene beroepscoderegels als:
1.2. Vertrouwelijkheidsbeginsel
1.2.1. Bij het aangaan van een professionele relatie treedt de abortusarts met de cliënt(en), en andere personen die een beroep om hem doen (of tot wie hij zich richt) in een vertrouwensrelatie. Daarom is de abortusarts verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem bij de uitoefening van zijn beroep ter kennis komt.
Reikwijdte van het beginsel
1.2.2. Bij ontbreken van schriftelijke toestemming van de betrokken persoon, waarmee de abortusarts in professioneel contact staat, om informatie aan derden te verstrekken kan hij zich pas ontheven achten van de plicht tot geheimhouding indien tenminste voldaan is aan al de vijf hieronder genoemde voorwaarden (* 3):
1.2.3. Ook in geval de persoon, waarmee de abortusarts in professioneel contact staat, de arts schr1ftelljk ontslaat van de plicht tot geheimhouding is laatstgenoemde niet verplicht de geheimhouding te verbreken.
1.2.4. De abortusarts is verplicht zich jegens de rechter te beroepen op verschoning indien het afleggen van een getuigenis of het beantwoorden van bepaalde vragen hem in strijd brengt met zijn geheimhoudingsplicht.
1.2.5. De verplichting om zo'n beroep op de rechter te doen kan alleen opgeheven worden als voldaan is aan alle vijf in art. 1.2.1. genoemde voorwaarden.
1.2.6. Indien de rechter weigert verschoning toe te staan, dan mag de abortusarts de ter zitting gestelde vragen over de persoon in kwestie beantwoorden. Hij dient zich dan te beperken tot het geven van feitelijke informatie en dan nog uitsluitend die informatie waar om gevraagd wordt; hij dient zich te onthouden van een waardeoordeel.
1.2.7. Wanneer de abortusarts tijdens de de uitoefening van zijn beroep kennis neemt genomen van situaties of handelingen door volwassenen, maar ook door kinderen, die geestelijke en/of lichamelijke schade kunnen berokkenen aan personen die minderjarig zijn dan wel niet in staat hun wil te bepalen als gevolg van een gebrekkige ontwikkeling of stoornis van de geestesvermogens, dient hij te handelen conform de richtlijnen voor beroepsoefenaren, zoals neergelegd in Handelen bij vermoeden van seksueel misbruik van kinderen en jeugdigen (Commissie Misbruik van Jeugdigen, 1994).
1.3.1. Bij het aangaan van een professionele vertrouwensrelatie door de abortusarts dient het contact of de behandeling plaats te vinden in een zodanige ruimte dat derden geen kennis kunnen nemen van hetgeen besproken wordt en tijdens het contact of de behandeling voorvalt.
1.3.2. De abortusarts behoeft voor het geven van inzage in of het verstrekken van gegevens aan ieder die niet bij de behandeling betrokken is de schriftelijke en gerichte toestemming van cliënte, tenzij de abortusarts door wettelijk voorschrift daartoe verplicht is. Dit geldt ook voor audio-, video- of filmregistraties van professionele contacten
1.3.3. De bepaling blijft van kracht ook nadat het contact of de behandeling beëindigd is.
1.3.4. Voor iedere volgende informatieverstrekking dient cliënte opnieuw haar toestemming te verlenen, tenzij zij de abortusarts schriftelijk gemachtigd heeft zulks te doen zolang het professionele contact of de behandeling duurt en daartoe dienstig is.
1.3.5. cliënte heeft het recht om de bedoelde machtiging op ieder moment in te trekken.
1.3.6. Bedoelde verklaringen van cliënte dienen in haar dossier bewaard te worden.
Uitzonderingen
1.3.7. De abortusarts is gerechtigd, wanneer een behandeling dat vraagt of in het kader van consultatie, ook zonder toestemming van cliënte, relevante gegevens aan derden, wier advies of medewerking nodig geacht worden, te verstrekken, mist dezen eveneens gebonden zijn aan deze code. Dit recht strekt zich uit tot niet- abortusartsen mits gebonden aan een aan deze code op dit punt gelijkwaardige eigen beroepscode. (verpleegkundigen). Indien degenen, wier medewerking noodzakelijk is bij een behandeling, geen eigen geheimhoudingsplicht kennen, geldt voor hen een afgeleide geheimhoudingsplicht.
1.3.8. Ten behoeve van wetenschappelijk of statistisch onderzoek en idem dito publicaties of publicaties ten behoeve van onderwijs en onderricht mag de abortusarts geanonimiseerde gegevens verstrekken aan derden, mits de persoonlijke levenssfeer van cliënten niet wordt geschaad en onverlet zijn eigen verantwoordelijkheid.
Dit geldt ook voor gegevens verkregen uit - meestal onder eigen regelgeving met betrekking tot anonimiteit en geheimhouding geplaatste - al dan niet wetenschappelijke onderzoeken e.d.
1.3.9 . De abortusarts heeft het professionele contact of voert de behandeling uit buiten de waarneming van anderen, tenzij de cliënt ermee heeft ingestemd dat (delen van) de behandeling door derden mogen worden waargenomen, beluisterd of anderszins gevolgd.
2. Verdere regels voor het aangaan van een professionele relatie en de diepgang van het werk
2.1. Hierbij gelden onverkort de in de diverse - voor de basisdisciplines van de abortusarts geldende - regels, zoals:
In het bijzonder is van belang dat :
2.1.1. De abortusarts een professionele relatie - van welke aard ook - (van hulpverlenend tot en met in verband met wetenschappelijk onderzoek) - weigert aan te gaan, of voort te zetten, wanneer hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat hij daarmee in conflict zal komen met de beroepscode.
2 .1. 2 . De abortusarts degene met wie hij een professionele relatie aangaat op begrijpelijke wijze informeert over aard en doel van de professionele relatie welke de werkwijze zal zijn. Indien de professionele relatie een therapeutische betreft , dan behoort het recht op informatie tot de centrale rechten van cliënte of patiënte, conform de wettelijke regelgevingen ( waar-onder de Wet op de Geneeskundige Behandel Overeenkomst).
Deze informatie betreft, indien niet anderszins daarin is voorzien tenminste:
2.1.3. De abortusarts onthoudt zich van het in vooruitzicht stellen van effecten en gevolgen van de dienstverlening die, naar het oordeel van terzake deskundigen, door het contact met de abortusarts waarin cliënte, patiënte of andere hulp- of raad vragende persoon treedt of door de geboden behandeling niet te realiseren zijn.
2.1.4. De abortusarts draagt er zorg voor dat de personen waarmee hij professioneel in contact treedt worden gewezen op het bestaan van deze beroepscode. (eventueel te vermelden in de, door cliënte, te tekenen verklaring.)
2.1.5. De abortusarts deelt voor hij daadwerkelijk een professionele relatie aangaat de betalingsvoorwaarden mee tenzij daarvoor een andere regeling in de kliniek bestaat of geldig is, of betaling niet geschiedt door van overheidswege getroffen maatregelen.
2.1.4. Bij medische handelingen, waartoe ook behoort het lichamelijk vooronderzoek dat meer inhoudt dan uitwendig onderzoek of echografisch of laboratorium onderzoek is de regelgeving van kracht met betrekking tot het zogenoemd 'informed consent'
2.2. Algemene voorwaarden, gangbare regels
2.2. In het algemeen dient de abortusarts zich bij het aangaan van professionele relaties te houden aan de gangbare regels van professioneel gedrag en houding: zoals correcte aanspreken en bejegenen, het dragen van correcte kleding, niet vanzelfsprekend roken, geen alcohol drinken of drugs gebruiken of aanbieden, en dergelijke.
2.3 Recht om professionele relatie te verbreken
2.3.1. De abortusarts erkent en respecteert het recht van clienten en patienten om op elk tijdstip de professionele relatie te verbreken of medewerking te weigeren aan bepaalde methoden die de abortusarts hanteert in het kader van behandeling, advisering of voorlichting.
2.3.2. de abortusarts heeft niet het recht de professionele relatie te verbreken, tenzij er sprake is van gewichtige redenen. Deze redenen kunnen zijn:
2.3.7. bij verbreking van de professionele relatie door de abortusarts, dient hij behalve de uiterste zorgvuldigheid in acht te nemen tevens verwijzing aan te bieden.
2.4 Niet accepteren van geschenken
2.4.1. De abortusarts accepteert nimmer geschenken, geldelijke of andere vormen van ondersteuning, wanneer de oogmerken hiervan strijdig zijn met het goed uitoefenen van zijn vak. Ook mag hij geen overeenkomst afsluiten met een cliënte die een onevenredig voordeel voor hem oplevert.
2.4.2. De abortusarts stelt zich terughoudend op bij het accepteren van (materiële) attenties van cliënten, en familieleden daarvan.
Gegeven de aard van het werk van de abortusarts, gelden voor hem daarenboven de volgende gedragsregels:
2.5. Gedragsregels i.v.m. de aard van het werk
2.5. Gedragsregels inzake relaties met (ex-)cliëntes en andere personen waarmee de abortusartsen een professionele relatie aangaan. De specifieke aard van het werk van een abortusarts kan inhouden dat hij expliciet praat over en vraagt naar seksuele belevingen, ervaringen en handelingen.
2.5.1. De abortusarts hanteert binnen en gedurende de professionele relatie geen methoden die cliënte of andere personen aantasten in hun waardigheid of in het privé-leven verder doordringen dan nodig is voor het gestelde doel van behandeling, voorlichting, of onderzoek. Dit doel dient overigens steeds duidelijk te zijn, met name ook voor de betrokkene.
2.5.2. De abortusarts let erop de taal waarin de cliënte of patiënte zich uitdrukt zoveel mogelijk te respecteren, maar cliënte te corrigeren waar deze taal uitdrukking is van mogelijke misvattingen of strijdig is met huidige inzichten.
2.5.3. De abortusarts let erop de opvattingen van cliënte en patiënte niet te devalueren door een taalgebruik dat de cliënte of patiënte niet voor passend houdt.
2.5.5. Lichamelijk onderzoek vindt altijd plaats onder voor dergelijk onderzoek geldende condities ( die bovendien zijn vastgelegd in de medische beroepscode's). Eventuele derden die ter assistentie hierbij betrokken zijn, zijn ofwel gebonden aan hun eigen beroepscode's dan wel in afgeleide zin aan die van de medische.
2.5.6. Psychosociaal (voor-)onderzoek vindt altijd plaats onder voor dergelijk onderzoek geldende condities (die bovendien vastgelegd zijn in de beroepscode's van bijvoorbeeld NIP en NVO).
Eventuele derden die ter assistentie hierbij betrokken zijn, psychologen, maatschappelijk werkenden of verpleegkundigen zijn ofwel gebonden aan hun eigen beroepscode's dan wel in afgeleide zin aan die van de verpleegkundigen en/of maatschappelijk werkenden.
2.6 Verbod op seksueel gedrag
2.6.1. Seksuele, seksueel gerichte of seksueel op te vatten handelingen en het aangaan van intieme relaties door de abortusartsen in hulpverlenings-contacten en bij voorlichting, onderricht, onderwijs en onderzoek zijn onder geen beding geoorloofd.
2.6.2. Voor voorlichting, onderricht, onderwijs en onderzoek gelden ter zake de doeleinden ervan passende regels (die, in zoverre nog niet aanwezig, alsnog dienen opgesteld te worden), waaronder operatieve handelingen geobserveerd, bestudeerd en eventueel ter onderrichting op film of video opgenomen en getoond kunnen worden in aanwezigheid en onder verantwoordelijkheid van de abortusarts.
2.6.3. Iedere abortusarts is verplicht zich te onthouden van seksuele/intieme toenaderingspogingen, ook als een cliënte, of wie dan ook, waarmee hij in een professionele relatie verkeert, dit verlangt of daartoe uitnodigt.
2.6.4. Mocht evenwel toch sprake zijn van een willen (gaan) toegeven aan een wederzijdse seksuele/intieme toenadering dan dient de abrtusarts onmiddellijk de professionele relatie te beëindigen en is hij verplicht een collega of collega's te raadplegen en vervanging voor hemzelf te regelen.
2.6.5. Het verbod - en dit geldt vooral voor alle hulpverlenings- en therapeutische settingen - op het aangaan van een seksuele en/of intieme relatie met een (ex-)cliënte is van kracht tot en met 6 maanden na de beëindiging of afronding van het hulpverlenings- of het therapeutische contact.
2.7. Inachtneming van de lichamelijke integriteit en intimiteit van de cliënte/patiënte bij de behandeling
2.7.1. De abortusarts beperkt zich in de relatie tot de vrouw die om zwangerschapsafbreking verzoekt tot de daartoe noodzakelijke voorlichting, onderzoek en behandeling. Het doen van medisch onderzoek en behandelingen die niet tot het terrein van de zwangerschapsafbreking behoren of op geboortebeperking en voorlichting daarover zijn gericht is niet toegestaan.
2.7.1.1. Komt de abortusarts tijdens zijn onderzoek of behandeling tot de conclusie dat ander, niet tot zijn specialisme behorend medisch onderzoek of ingrijpen noodzakelijk is dan draagt hij zorg voor adequate doorverwijzing. Dit geldt ook indien hijzelf, uit hoofde van andere, niet tot het specialisme zwangerschapsafbreking behorende bekwaamheden, in staat zou zijn de ontdekte medische of psychologische problemen op te lossen of behandelingen daartoe te verrichten.
2.7.2. Wanneer de abortusarts besluit tot een behandeling gericht op de afbreking van de zwangerschap, dan draagt hij er zorg voor dat dit wordt vastgelegd in een behandelplan. Dit plan is over het algemeen een standaard protocol. Indien de abortusarts besluit om van dit standaardprotocol af te wijken dient dit voornemen door argumenten onderbouwd in een status te worden vastgelegd en eventueel met collega's besproken te worden .
2.7.2. Zwangerschapsafbreking is niet geoorloofd als ze naar het inzicht van de abortusarts en eventueel andere ter zake deskundigen niet kunnen bijdragen aan het verbeteren van de totale situatie of van het welbevinden van de cliënte Evenmin als ze naar algemeen aanvaarde opvattingen getuigen van gebrek aan respect voor het ongeboren leven. En evenmin wanneer ze primair het belang van abortusarts zelf dienen.
2.7.3. De abortusarts zal de cliënte/patiënte op een voor haar begrijpelijke wijze op de hoogte (doen) stellen van de aard van de behandeling.
2.7.4. Lichaamsgerichte interventies die het aanraken en onderzoeken van de geslachtsdelen betreffen kunnen alleen verricht worden door de abortusarts, of de hem assisterende verpleegkundige.
2.7.5. Ten einde een erotiserende of seksualiserende werking van het vooronderzoek of de behandeling zelf te voorkomen, kan de abortusarts, indien hem dat wenselijk voorkomt, een collega of verpleegkundige uitnodigen aanwezig te zijn bij de behandeling. In overleg met de cliënte/patiënte kan ook gekozen worden voor een familielid of de partner.