Opleidingseisen abortusartsen

Preambule:

Het bestuur van het Nederlands Genootschap van Abortusartsen overwegende:

- dat de opleiding tot abortusarts in een abortuskliniek zodanig met waarborgen moet zijn omringd dat van diegenen die tot abortusarts in een abortuskliniek is opgeleid kan worden verwacht dat hij geschikt en in staat is het werk als abortusarts zelfstandig en naar behoren te verrichten;

- dat het, ten einde dit te bereiken, noodzakelijk is, dat aan de opleiding, opleiders en opleidingsklinieken nauwkeurig omschreven eisen zijn gesteld;

- gelet op de adviezen van Stimezo Nederland en de Hoofdinspecteur van de Inspectie voor de Volksgezondheid; heeft besloten de nota "scholingseisen voor abortusartsen" ter vaststelling voor te leggen aan de algemene ledenvergadering van het NGvA op 25 maart 1993 te 's-Gravenhage.

Inhoud

Klik op onderstaande hoofdstukken om deze gemakkelijk in de tekst te kunnen vinden.

1. Begripsomschrijvingen

2. (A)Eisen te stellen aan de scholing tot abortusarts

A 3 Vereiste vooropleiding

A 5 Opleidingsduur

A 7 Benodigde kennis

A 8 Technische vaardigheden

A 8 2 Eisen tweede trimester opleiding

A.9 Psychosociale aspecten

3. (B)Eisen te stellen aan de opleiders

4. (C)Eisen te stellen aan abortusopleidingsklinieken

5. (D)Geschillen

6. (E)Toelichting

7. (F) Registratie in het Register Abortusartsen

1. Begripsomschrijvingen

Onder "de Commissie" wordt verstaan de Commissie Opleiding en Registratie zoals deze omschreven wordt in het Huishoudelijk Reglement het NGvA. Deze Commissie houdt zich bezig met toezicht op, en beoordeling van artsen in opleiding, de artsen opleiders en de opleidingsklinieken in de ruimste zin. Voorts houdt de commissie het Register bij. Dit laatste omvat alle artsen die zijn toegelaten tot het specialisme abortusarts, de artsen aangewezen als opleiders en de opleidingsklinieken.

Een "AK" is een abortuskliniek met een vergunning als omschreven in de Wet Afbreking Zwangerschap.

Een "AA" is een abortusarts, werkzaam in een AK.

Onder "AO" wordt verstaan een arts in opleiding tot AA.

Onder "OAA" wordt begrepen een door de Commissie tot opleiding bevoegde en erkende AA bij wie de praktische opleiding kan plaats vinden.

Onder "OAK" wordt verstaan een door de Commissie voor de opleiding aangewezen abortuskliniek waar de opleiding tot abortusarts kan plaatsvinden.

Onder "OO" worden verstaan de overige medewerkers van een OAK die een bijdrage kunnen leveren aan de opleiding en/of beoordeling van de AO.

Het bestuur van het NGvA treedt indien noodzakelijk op als instantie die in zake geschillen omtrent de opleiding een arbitragecommissie cq beroepsinstantie in het leven roept.

2. Eisen te stellen aan de scholing tot abortusarts en aan de arts in opleiding

A.1 De Commissie

De administratieve begeleiding van de AO berust bij de Commissie met inachtneming van hetgeen daartoe bepaald is in het Huishoudelijk Reglement en de Statuten van het NGvA.

A.2 Twee opleidingen. Er wordt onderscheiden in een opleiding voor:

A.2.1 eerste trimester abortusarts en

A.2.2 tweede trimester abortusarts. Deze laatste is weer in twee categorieën onderverdeeld nl:

2e trimester A, tot 19 weken zwangerschapsduur en 2e trimester na 19 weken zwangerschapsduur.

A.3 Vereiste vooropleiding

De arts die wenst te worden opgeleid tot abortusarts dient bij de aanvang van de opleiding het basisartsdiploma te overleggen aan de Commissie tezamen met documenten die betrekking hebben op eventuele vervolgopleidingen.

Een Opleidingsovereenkomst dient te worden gesloten tussen de Commissie en de arts in opleiding; de Commissie en de opleidingskliniek en de opleidingskliniek en de arts in opleiding.

De inhoud van de opleidingsovereenkomsten zijn conform het door de Commissie opgestelde model. (zie bijlage 1)

A.4 Plaats van opleiding

De opleiding van de arts in opleiding tot abortusarts vindt plaats in de opleidingsabortuskliniek en in instellingen waarmee die kliniek samenwerkt.

A.5 Opleidingsduur

A.5.1 De opleiding tot eerste trimester AA duurt 52 weken bij een opleiding die één dag per week beslaat; 28 weken bij een opleiding die twee dagen per week plaats vindt en 16 weken bij een vier- (of meer-) daagse werkweek.

Een ander met in achtneming van de eisen gesteld aan de inhoud van de opleiding en behoudens dispensatie en/of aanvullende vereisten in bijzondere gevallen door de Commissie.

A.5.2 De opleiding tot tweede trimester AA duurt 104 weken bij een opleiding die één dag per week beslaat; 56 weken bij een opleiding die twee dagen per week plaats vindt en 32 weken bij een vier- (of meer-) daagse werkweek.

Een en ander met inachtneming van de eisen gesteld aan de inhoud van de opleiding en behoudens dispensatie en/of aanvullende vereisten in bijzondere gevallen door de Commissie.

Voor deze opleiding komen artsen in aanmerking die naar het oordeel van de Commissie een buitengewone bekwaamheid hebben verworven op het terrein van afbreking van zwangerschappen in het eerste trimester, en die als zodanig tenminste drie jaar werkzaam zijn geweest.

A.6 Onderbreking van de opleiding

De opleidingen moet ononderbroken worden gevolgd, behoudens het bepaalde in A.10 en A.11.

A.7 Medisch technische aspecten

Ten aanzien van een aantal onderwerpen is specifieke medische kennis vereist die voor de opleiding tot AA relevant zijn.

Noodzakelijk wordt geacht:

A.7.1 uitgebreide kennis van de anatomie, de fysiologie en de pathologie van de vrouwelijke geslachtsorganen;

A.7.2 kennis van de (patho-)fysiologie van de zwangerschap;

A.7.3 kennis van de zwangerschapsdiagnostiek;

A.7.4 praktische kennis betreffende de mogelijkheden van de echoscopie, zowel m.b.t. diagnostiek als hulpmiddel bij-, of ter controle na de behandeling;

A.7.5 kennis van de gebruikelijke methoden van zwangerschapsafbreking; (zie de toelichting)

A.7.6 kennis nodig voor de beoordeling van het curettement;

A.7.7 kennis met betrekking tot het onderkennen en behandelen van complicaties;

A.7.8 kennis van de specifieke farmacotherapie;

A.7.9 kennis betreffende de verschillende vormen van pijnbestrijding.

A.7.10 uitgebreide kennis inzake anticonceptie;

A.7.11 kennis m.b.t. steriliteit en desinfectie;

A.7.12 kennis van de te gebruiken apparatuur en instrumenten.

A.7.13 specifieke anaesthesiologische kennis en vaardigheden voor degenen die cliënten willen sederen en/of bewustzijnsverlaging bij cliënten willen bewerkstelligen.

A.8 Technische vaardigheden

Vereist is beheersing van de technische vaardigheden die noodzakelijk zijn om, afhankelijk van de doelstelling van de opleiding, eerste of tweede trimester zwangerschapsafbrekingen op een medisch verantwoorde wijze te verrichten.

A.8.1 Voor de eerste trimester opleiding is het daartoe minimaal vereist dat:

A.8.1.1 aan tenminste 200 behandelingen wordt deelgenomen, met dien verstande, dat de arts in opleiding in de loop van de opleiding geleidelijk aan meer onderdelen van de behandeling zelfstandig gaat uitvoeren en tenslotte ten minste veertig behandelingen geheel "zelfstandig" worden verricht;

(Hierbij geldt, dat de opleider de algemene supervisie houdt en de abortusarts, die op dat moment de feitelijke instructie verzorgt, ook het zicht houdt op de werkzaamheden van de arts in opleiding, zijn vorderingen registreert en aan de hand daarvan vaststelt welk deel van de ingreep door de arts in opleiding mag worden verricht.
Vanzelf spreekt dat de instruerende opleider te allen tijde direct de behandeling moet kunnen overnemen.)

A.8.1.2 Noodzakelijk is voorts bekendheid met de technieken die gebruikt worden voor zwangerschapsafbrekingen in het tweede trimester. Het bijwonen van een of meerdere van deze behandelingen, eventueel buiten de eigen abortusopleidingskliniek, is vereist.

A.8.2 Voor de tweede trimester A-opleiding is het vereist dat:

A.8.2.1 de AO ruime ervaring heeft als eerste trimester abortusarts;

A.8.2.2 de AO voldoende tweede trimester behandelingen heeft bijgewoond om zich daardoor bewust te zijn geworden van de mentale gesteldheid die voor het verrichten van deze ingrepen noodzakelijk is;

A.8.2.3 door de AO aan tenminste 200 behandelingen wordt deelgenomen, met dien verstande, dat de AO in de loop van de opleiding geleidelijk aan meer onderdelen van de behandelingen zelfstandig heeft verricht en ten slotte ten minste veertig behandelingen "geheel zelfstandig" heeft uitgevoerd.

A.8.2.4 Deze opleiding betreft behandelingen tot en met 18 weken amenorrhoea.

Voor de vervolgopleiding, betreffende behandelingen van 18 tot en met 22 weken amenorrhoea, komen uitsluitend die artsen in aanmerking die, na het volgen van de opleiding tot 18 weken am. een vaste aanstelling hebben gedurende tenminste één jaar en tenminste 2 dagdelen per week zelfstandig werkzaam zijn geweest in één of meer tweede trimester abortuskliniek(en).

A.8.3 Registratie

Onder toezicht van de OAA dient de AO een lijst bij te houden van de behandelingen waaraan hij heeft deelgenomen. Deze lijst dient bij visitaties en aan het einde van de opleiding ter beschikking te worden gesteld van de Commissie.

A.9 Psychosociale aspecten

De eisen betreffende psychosociale aspecten betreffen kennis cq inzicht, attitude en vaardigheden.

A.9.1. De AO dient kennis te hebben of te verkrijgen van (c.q. inzicht in):

A.9.1.1 de arts-cliënt relatie en problemen hierin, zoals de rol die de eigen houding, de sexe en/of het gedrag bij de onderdrukking van emoties bij de cliënte kan spelen;

A.9.1.2 de maatschappelijke positie van en de culturele achtergrond bij buitenlandse cliënten en allochtone vrouwen (inclusief redelijke kennis van diverse talen);

A.9.1.3 de wijze waarop een behandeling op een voor iedere vrouw individuele manier zal moeten worden uitgelegd;

A.9.1.4 (ab-)normale verwerking- c.q.rouwprocessen en verwachtinspatronen;

A.9.1.5 sociale en psychiatrische verwijs- en behandelingsmogelijkheden;

A.9.1.6 de beweegredenen en emoties van vrouwen, die haar voorkeur of afwijzing van diverse anticonceptiva kunnen bewerkstelligen;

A.9.1.7 de abortuswetgeving (WAZ en BAZ), en de "Kwaliteitswet"

A.9.1.8 de geldende opvattingen over abortus binnen de abortus-klinieken, de vakgroep en de maatschappij;

A.9.2. Wat betreft "attitude" dient de AO:

A.9.2.1 de wil en de tijd te hebben om hulp te verlenen;

A.9.2.2 inlevingsvermogen te hebben en betrokken te zijn bij de vrouw;

A.9.2.3 open te staan voor emoties, erkenning van pijngevoelens;

A.9.2.4 niet bevoogdend te zijn (eigen verantwoordelijkheid aan de vrouw te laten;

A.9.2.5 een niet veroordelende houding te hebben t.a.v. seksualiteit, (herhaal-)abortus, late zwangerschappen, verkeerd anticonceptie-gebruik, ongebruikelijke relatiepatronen, verdringing e.d.;

A.9.2.6 begrip te hebben voor het feit dat een abortus voor de vrouw geen dagelijks gebeuren is;

A.9.2.7 open te staan voor kritiek van medewerkers, cliënten en anderen;

A.9.2.8 zich bewust zijn van zijn eigen vooroordelen en houding;

A.9.2.9 eigen beroepshouding en normen te willen ontwikkelen (trainingen e,d,).

A.9.3 Als vaardigheden zijn vereist:

A.9.3.1 een goede gesprekstechniek, ook om een gesprek met meerdere personen te kunnen voeren;

A.9.3.2 het in korte tijd een relatie kunnen leggen;

A.9.3.3 het overdragen van ontspanning;

A.9.3.4 het kunnen omgaan met emoties, angst, paniekreacties, onzekerheden, twijfels e.d. die de vrouw heeft;

A.9.3.5 het kunnen hanteren van non-verbale uitingsvormen van vrouwen: zwijgen, agressie, afwijzen, giebelen, huilen e.d.;

A.9.3.6 het kunnen differentiëren tussen normaal en pathologisch bij beslissings- en verwerkingsprocessen en verwachtinspatronen;

A.9.3.7 het kunnen interpreteren van psychische signalen aan het einde van de behandeling en het regelen van nazorg;

A.9.3.8 het kunnen werken onder druk en/of onder moeilijke omstandigheden;

A.9.3.9 het kunnen werken in teamverband.

A.10 Evaluatie

De OAA (en/of de instruerende AA en/of de betrokken OO) en de AO dienen regelmatig, als regel dagelijks, de werkzaamheden te bespreken, m.n. om het praktische werk en het verdere functioneren van de AO te evalueren. (zie toelichting)

A.11 Opvolgen instructies

Gedurende de opleiding moet de AO de aanwijzingen gegeven door de OAA, de instruerende AA en de overige opleiders die betrokken zijn bij de opleiding tot AA met betrekking tot de cliëntenzorg en de algemene gang van zaken in de OAK opvolgen.

A.12 Vakantie

De AO in opleiding voor eerste trimester abortus arts heeft recht op zes dagen vakantie. De wijze waarop deze vakantie kan worden opgenomen wordt vastgelegd in de onder A.2 genoemde opleidingsovereenkomsten. De AO in opleiding voor tweede trimester abortusarts heeft recht op twaalf vakantiedagen die op overeenkomstige wijze worden opgenomen.

A.13 Verzuim

Indien de AO in opleiding voor eerste trimester abortusarts in totaal gedurende meer dan vier werkdagen door ziekte of andere omstandigheden de opleiding niet heeft kunnen volgen of anderszins niet aan de gestelde eisen heeft voldaan dient de OAA dit aan de Commissie te melden. De OAA doet daarbij tevens een voorstel op welke wijze en in welke mate compensatie zal plaatsvinden. Voor de AO in opleiding voor tweede trimester abortusarts geldt dezelfde regeling.

A.14 Verklaring van bekwaamheid

De Commissie geeft aan de daartoe in aanmerking komende AO een verklaring af, dat de opleiding volgens de gestelde eisen is voltooid, waarna op verzoek van de AO inschrijving in het Register van Abortusartsen plaats vindt.

A.15 Dispensatie

Een arts die in het buitenland is opgeleid tot AA kan van de Commissie dispensatie krijgen van (een deel van) de opleiding.

A.16 Aanvullende opleiding/tussentijdse beëindiging

Indien de AO, door welke omstandigheden dan ook, niet aan de gestelde eisen heeft voldaan, stelt de Commissie, gehoord de betrokken AO en de OAA, vast, op welke wijze en in welke mate aanvullende opleiding dient plaats te hebben.

Op elk moment gedurende de opleiding kan de OAA beslissen de opleiding niet verder voort te zetten als naar zijn oordeel blijkt dat de capaciteiten van de betreffende AO voor het aanleren van het specialisme duidelijk te kort schieten. De OAA deelt dit besluit ten spoedigste aan de AO en de Commissie mede. De Commissie handelt daarop naar bevind van zaken, met in achtneming van het bepaalde in A.16.2.

A.16.1 De Commissie geeft uiterlijk acht opleidingsdagen voor het einde van de opleiding een de daartoe in aanmerking komende AO een gemotiveerde verklaring af, en zendt deze in afschrift naar de OAA en OAK, dat wijziging c.q. verlenging van de opleiding noodzakelijk wordt geacht. De verlenging kan ten hoogste drie maanden bedragen.

A.16.2 De Commissie geeft uiterlijk acht opleidingsdagen voor het einde van de opleiding aan de daartoe in aanmerking komende AO een gemotiveerde verklaring af en zendt deze in afschrift naar de OAA en OAK, indien voortijdige beëindiging van de opleiding noodzakelijk wordt geacht.

A.16.3 Indien de AO zich niet kan verenigen met de beslissing genoemd onder A.16 respectievelijk A.16.1 en A.16.2 is er sprake van een "geschil in engere zin" en gelden de bepalingen daaromtrent genoemd onder D.

A.17 Model-opleidingsprogramma

De Commissie stelt samen met de OAA een model-opleidingsprogramma vast. Hierin wordt de vereiste kennis en de toetsingsmomenten van de vereiste kennis en vaardigheden aangegeven.

3. Eisen te stellen aan de opleiders van artsen in opleiding

B.1 Voor de erkenning als OAA is vereist, dat deze voldoet aan het volgende:

B.1.1 een, naar het oordeel van de Commissie, zorgvuldige praktijkvoering;

B.1.2 de verplichting om zich volgens nader door de commissie te stellen richtlijnen te laten

begeleiden ten einde zich te laten bekwamen als opleider;

B.1.3 het in de gelegenheid stellen van de AO deel te nemen aan de reguliere werkzaamheden van de OAK, waarbij in toenemende mate zelfstandige verantwoordelijkheid wordt gegeven aan de AO : dit alles in het kader van het opleidingsdoel;

B.1.4 het regelmatig observeren van de AO tijdens diens functioneren in de OAK;

B.1.5 het regelmatig, als regel dagelijks, voeren van een evaluatiebespeking met de AO.

B.2.1 De OAA dient in staat te zijn ook zonder medewerking van de AO de abortuspraktijk te voeren.

B.2.2 De OAA dient blijk te geven van voortdurende aanpassing die een adequate beroepsuitoefening vraagt en is verplicht zich daartoe regelmatig na te scholen.

B.3 Voor de erkenning als OAA is bovendien vereist:

B.3.1 dat zij/hij ten minste vijf jaar als AA geregistreerd staat, (zie toelichting) en als zodanig en goede reputatie geniet;

B.3.2 dat zij/hij goede werkrelaties onderhoudt met de collegae in de OAK, met de medische specialisten, met andere werkers in de basisgzondheidszorg, de eerstelijnsgezondheidszorg en de ambulante geestelijke gezondheidszorg.

B.4 De Commissie kan, gehoord de betrokken OAK(en), een AA, die niet aan de eisen voldoet, als opleider erkennen op grond van diens bijzondere kwaliteiten, met dien verstande dat aan de eisen gesteld onder B.1 in ieder geval wordt voldaan. (zie toelichting).

B.5 De OAA kan overige opleiders (OO) bij de opleiding betrekken. Voor de acceptatie van OO is vereist:

B.5.1 dat deze(n) de AO in de OAK(en) deel laat nemen aan die activiteiten die voor de AO van belang zijn;

B.5.2 dat zij/hij goede relaties onderhoudt met de werkers in de gezondheidszorg, waarmee zij/hij op grond van haar/zijn functie contact heeft;

B.5.3 dat zij/hij de zorg die de cliënten wordt verleend, zoveel mogelijk in samenwerking met de betrokken OAA geeft;

B.5.4 dat zij/hij voorts voldoet aan de voorwaarden en eisen zoals die in de daaromtrent vigerende specifieke besluiten van het NGvA worden vastgelegd.

B.6 De erkenning van de OAA en van een OO kan slechts worden verleend, indien tevens de AK(en), waarin de opleider de AO opleidt, wordt erkend als OAK. Daartoe dienen de opleider(s) en het bestuur van de AK(en) gelijktijdig de aanvrage in bij de Commissie.

B.7 De erkenning wordt telkens voor een tijdvak van vijf jaar verleend. Hernieuwing van de erkenning dient ten minste zes maanden voor de afloop van de geldende termijn bij de Commissie te worden aangevraagd. De erkenning als opleider geldt uiterlijk tot de datum waarop de opleider de 65-jarige leeftijd heeft bereikt. (zie toelichting)

B.8 De Commissie kan tussentijds de erkenning intrekken als zij op grond van bevindingen bij een visitatie en gehoord de opleider en het bestuur van de AK(en) van oordeel is dat de opleider niet meer aan de gestelde eisen voldoet.

Indien de Commissie besluit de erkenning niet opnieuw te verlenen of tussentijds in te trekken, deelt zij haar gemotiveerde beslissing daartoe schriftelijk mede aan de opleider, het bestuur van de OAK en het NGvA.

Ook indien een opleider of een OAK zijn verplichtingen jegens de Commissie niet nakomt kan de Commissie, gehoord de betrokkenen, besluiten de erkenning in te trekken.

4. Eisen te stellen aan de abortusopleidingsklinieken

C.1 Voor de erkenning van een AK als OAK is vereist dat bij de werkzaamheden in de kliniek de gebruikelijke facetten van de abortushulpverlening aan de orde komen. Er zal een door de Commissie vast te stellen minimaal aantal behandelingen per week moeten worden verricht.

Daarnaast gelden de volgende kwaliteitseisen:

C.1.1 in de OAK dient een goed bijgehouden registratie van de gegevens betreffende de cliënten aanwezig te zijn, waarbij de herleidbaarheid tot individuele cliënten (alleen) nodig is als de AO dit redelijkerwijs behoeft;

C.1.2 de opleidingskliniek dient te beschikken over voldoende personeel (administratieve- en psychosociale deskundigen) en bevoegde verpleegkundigen in relatie tot de omvang der werkzaamheden;

C.1.3 in de OAK dienen, de voor een goede hulpverlening noodzakelijke, laboratoriumbepalingen te kunnen worden verricht en tevens dient de mogelijkheid te bestaan meer gedifferentieerde bepalingen te laten verrichten in een huisartsenlaboratorium of ziekenhuis-laboratorium;

C.1.4 in de OAK dient voldoende aan de tijd aangepast instrumentarium aanwezig te zijn, overeenkomstig nadere voorschriften van de Commissie en tevens dienen recente boeken en tijdschriften op het terrein van de abortushulpverlening aanwezig te zijn;

C.1.5 in de OAK dient echoscopisch onderzoek te kunnen worden uitgevoerd; niet alleen voor het vooronderzoek maar ook tijdens de behandelingen;

C.1.6 de OAK dient qua ruimten minimaal te bevatten:

C.1.6.1 een receptie, eventueel gecombineerd met een

C.1.6.2 administratieruimte,

C.1.6.3 een wachtruimte,

C.1.6.4 een onderzoeksruimte,

C.1.6.5 een behandelkamer,

C.1.6.6 een uitrustkamer,

C.1.6.7 twee toiletten: bereikbaar vanuit de rustkamer en bereikbaar vanuit de wachtruimte.

C.1.7 In de abortus opleidingskliniek waar tweede trimesterbehandelingen worden uitgevoerd moet behalve aan de onder C.1.6 genoemde eisen ook worden voldaan aan:

C.1.7.1 de mogelijkheid tot oproepen van een anesthesist;

C.1.7.2 de aanwezigheid van een periodiek toezichthoudend apotheker

C.1.7.3 de aanwezigheid van een of meer spreekkamers;

C.1.7.4 de aanwezigheid van een personeelsruimte;

C.1.7.5 een bewaarplaats van gesteriliseerd instrumentarium;

C.1.7.6 de aanwezigheid van geschikte bewakingsapparatuur voor vrouwen die onder sedatie of algehele anesthesie worden behandeld;

C.2.1 De abortusopleidingskliniek dient wanneer daartoe naar de mening van de Commissie aanleiding bestaat, aan de visiterende Commissieleden aan te tonen dat aan de onder C.1. tot en met C.1.7.1.5. gestelde voorwaarden wordt voldaan.

C.2.2 De Commissie kan in een bijzonder geval een AK die niet aan alle eisen voldoet voor een beperkte periode en onder door haar te stellen voorwaarden erkennen als abortusopleidingskliniek.

C.2.3 Indien de abortuskliniek niet aan alle voorwaarden voldoet, brengt de Commissie dit ter kennis van de betreffende kliniek. De Commissie deelt daarbij mede welke veranderingen dienen plaats te vinden en binnen welke periode zulks dient te worden gerealiseerd. Tegen het einde van de gestelde periode kan hervisitatie plaatsvinden.

C.2.4 Indien na het verstrijken van deze termijn de Commissie bij visitatie constateert dat aan de gestelde voorwaarden niet is voldaan, dan trekt zij de erkenning van de abortuskliniek als opleidingskliniek in: de erkenning vervalt daarmee op de dag dat de Commissie hiervan schriftelijk mededeling heeft gedaan aan de betreffende kliniek.

C.3 De opleidingskliniek dient, aan de hand van het door de Commissie vastgesteld model-opleidings-programma, een opleidingsprogramma op te stellen, althans voorzover betreft de organisatie van het praktische en theoretische gedeelte van de opleiding.

C.3.1 Dit programma dient vooraf ter goedkeuring aan de Commissie te worden voorgelegd.

C.3.2 Achteraf brengt de kliniek verslag uit aan de hand van een door de Commissie vastgesteld modelverslag.

5. Geschillen

D.1.1 Geschillen welke tussen bij de opleiding tot AA betrokken personen met betrekking tot de in dit besluit genoemde bepalingen en hetgeen daarmede verband houdt, ontstaan, worden voorgelegd aan de Commissie, voor zover het geen geschil betreft dat juist bestaat op grond van een beslissing genomen door de Commissie.

Een dergelijk geschil is aanwezig wanneer een van de betrokkenen verklaart dat dit het geval is en wordt "een geschil in wijdere zin" genoemd.

D.1.2 Geschillen welke tussen bij de opleiding tot AA betrokken personen met betrekking tot de in dit besluit genoemde bepalingen en hetgeen daarmee verband houdt, ontstaan en gegrond zijn op een beslissing van de Commissie worden "geschillen in engere zin" genoemd. Een dergelijk geschil is aanwezig als een der betrokkenen verklaart dat dit het geval is. Als minstens een der betrokkenen bij "een geschil in wijdere zin" na een beslissing van de Commissie verklaart deze beslissing niet te accepteren is er per definitie sprake van "een geschil in engere zin".

D.2 De Commissie fungeert bij een "geschil in wijdere zin" als bemiddelings-commissie: zij hoort de bij het geschil betrokkenen zo spoedig mogelijk en brengt vervolgens uiterlijk vier weken nadat het geschil aanhangig is gemaakt een zwaarwegend advies uit over de wijze waarop, en de termijn waarbinnen het geschil kan worden opgelost.

D.3 Het NGvA stelt een Commissie van Beroep in. Deze CvB heeft tot taak een bindend advies uit te brengen over de oplossing van "geschillen in engere zin"

D.4 De CvB bestaat uit vijf leden: twee juristen, een arts, een verpleegkundige en een psychosociaal deskundige, die geen van allen directe binding hebben met de AK-en.

Het NGvA verzoekt een van de juristen als voorzitter op te treden en de andere jurist om als secretaris te fungeren.

D.5 De CvB hoort de bij het geschil betrokkenen zo spoedig mogelijk en brengt vervolgens uiterlijk zes weken nadat het "geschil in engere zin" aanhangig is gemaakt een bindend advies uit over de wijze waarop en de termijn waarbinnen het geschil kan worden opgelost.

6. Toelichting

a. Algemeen

Wat betreft het karakter van de opleiding kan worden gesteld dat deze wordt bepaald door de volgende factoren:

a) De ontwikkeling van technieken die op verantwoorde wijze in een poliklinische setting of in een kortdurende klinische setting worden toegepast.

b) De wezenlijke samenhang tussen kennis van de technieken en vaardigheden om de cliënte in alle fasen van het hulpverleningsproces te kunnen begeleiden.

c) De ethische en sociale opvattingen over de houding en positie van de hulpverlener tegenover de cliënte.De kwaliteit van het medisch handelen in de abortuskliniek berust bij een juiste instelling van de arts, op kennis en training gericht op de samenhang van medisch-technische kennis en technische-vaardigheid, psychosociale-vaardigheden en ethische opvattingen.

In die zin is er sprake van een zelfstandig specialisme waarbij het bijzondere karakter van de opleiding is gelegen in het beheersen van die samenhang.

b. Bij de tekst

ad A.2

1. Het medisch handelen in een abortuskliniek kan naar de techniek worden beschouwd als een onderdeel van de gynaecologie; naar setting en sfeer echter vooral als onderdelen van de huisartsgeneeskunde, obstetrische radiologie en anesthesiologie. Hoewel de betreffende technische vaardigheden uiteraard onontbeerlijk zijn, bepalen vooral de houding van de arts tegenover de cliënte en de kennis en de vaardigheden ten aanzien van de psychosociale aspecten van de hulpverlening in hoge mate de kwaliteit van het medisch handelen.

Daarom wordt in principe de huisartsopleiding als vooropleiding geëist of ten minste een daarmee vergelijkbare opleiding, zulks ter beoordeling van de Commissie.

Ten aanzien van het hierboven staande geldt met betrekking tot de opleiding voor tweede trimester abortusarts dat daarbij het medisch technisch aspect een grotere plaats inneemt, en derhalve in de opleiding extra benadrukt zal worden.

2. Het NGvA is er zich van bewust dat hier van standaard schriftelijke contracten sprake is die nog niet zijn gerealiseerd. Deze eis is daarom nog niet expliciet opgenomen.

ad A.4

De opleidingsduur is - gerekend in werkdagen - in de meer gespreide opleiding iets korter dan in de meer intensieve opleiding. Daar staat tegenover dat i.h.a. en bij een meer gespreide opleiding meer tijd zal overblijven voor zelfstudie, werkbezoeken, reflectie e.d.

ad A.6.4

Hoewel de medicamenteuze zwangerschapsafbreking vooralsnog in Nederland niet gebruikelijk is, dient men daarover ook kennis te hebben.

A.8.2

In de praktijk is er voldoende technisch vaardigheid aanwezig als aan het gestelde in A.8.1 wordt voldaan. Het verdiend aanbeveling om het aan het beleid van de betreffende opleider c.q. opleidingskliniek over te laten om te bezien of het noodzakelijk is om hogere eisen te stellen aan de technische vaardigheden. In het algemeen is hier een onderscheid tussen bevoegdheid en bekwaamheid van belang: een abortusarts die aan de gestelde eisen voldoet is wel bevoegd, maar niet zonder meer bekwaam om de vaardigheden bedoeld onder A.8.2. in praktijk te brengen.

ad A.9

Bij het verrichten van de hiervoor (A.8.1) genoemde 100 behandelingen zal evenzeer een training in het onderkennen en hanteren van psychosociale aspecten plaats moeten vinden als een training in de betreffende technische vaardigheden.

ad A.10

Aangezien bij A.9 gesteld is, dat een training in het onderkennen en hanteren van psychosociale aspecten plaats moet hebben, is het consequent om bij de dagelijkse evaluaties ook regelmatig de vorderingen betreffende dit aspect te evalueren, zo mogelijk met hulp van een specifiek deskundige OO.

ad B.4

Dit artikel fungeert tevens als overgangsregeling in de periode dat aan B.3.1 per definitie niet kan worden voldaan.

ad B.3.1

In de overgangsperiode, waarin de registratie - beginnend in mei 1993- nog geen 5 jaar kan hebben geduurd, zal gelden dat de opleider gedurende 5 jaar zelfstandig als abortusarts moet zijn werkzaam geweest.

Na mei 1998 wordt de termijn van B.3.1 in sensu stricto geïnterpreteerd

ad B.5

Bij "andere medewerkers" kan men denken aan maatschappelijk werkenden, verpleegkundigen en/of aan receptie-medewerk(st)ers, die dan ook hun aandeel kunnen leveren aan de dagelijkse werkevaluaties met de arts in opleiding en de uiteindelijke beoordeling daarvan.

Vooruitgelopen wordt op de te nemen besluiten van het NGvA om nadere eisen en voorwaarden aan OO te kunnen stellen.

ad B.7

Natuurlijk is welke maximum leeftijd dan ook tamelijk willekeurig; gekozen is voor een vrij lage maximum leeftijd, met uitzonderingsmogelijkheid.(B.4.)

ad C.1.7.1

Waar in de abortuspoliklinieken een warme sfeer en zo veel mogelijk "huiselijkheid" heerst valt er in een tweede trimesterkliniek niet te ontkomen aan een klinische omgeving.Er worden ingrepen verricht die grote risico's in zich dragen. Er dient daarom nog strikter gelet te worden op steriliteit (centrale sterilisatieruimte) en veiligheid.

Belangrijk zijn daarom ook de outillage van de operatiekamers, een of meer beddenzalen, vervoer (brancards, liften), begeleiding, verpleging en de verzorging van de vrouwen. De opvang van hun begeleiders(sters) vergt eveneens aandacht en ruimte. Dit vereist in de regel meer deskundig personeel, meestal meer zitruimten, en cateringruimten.

ad D

Met een vrij strikte scheiding van de uitvoerende (Commissie), wetgevende (NGvA) en rechtsprekende (CVB) macht lijkt een rechtvaardige geschillenafhandeling te worden gegarandeerd.

Wijzigingen goedgekeurd door de leden op de ALV van 20 februari 1999 te Utrecht

(F) 7. Inschrijving het Register Abortusarts

F.7.1. Indien naar het oordeel van de opleider de opleiding met goed gevolg is afgesloten, doet de OAA daarvan mededeling aan de Commissie. Zo spoedig mogelijk daarna volgt inschrijving in het betreffende register. De registratie is geldig voor een periode van 5 jaar.

F.7.2. Binnen drie maanden voor afloop van deze periode meldt de abortusarts zich ter herregistratie aan bij de Commissie.

F.7.2.1. De abortusarts dient bij herregistratie aannemelijk te maken dat hij in de afgelopen registratieperiode tenminste gedurende 4 jaar, 40 weken per jaar als zodanig werkzaam is geweest, en wel voor de eerste trimester abortusarts voor tenminste één dagdeel per week en voor de tweede trimester abortusarts (A) voor tenminste twee dagdelen per week.

F.7.2.2. Tevens dient hij door inlevering van de in die periode verworven nascholings-certificaten (studiepunten) aan te tonen dat voldoende nascholing heeft plaats gehad.

F.7.3.2.1. Heeft naar het oordeel van de Commissie onvoldoende nascholing plaats gehad,dan dient de abortusarts die opnieuw wenst te worden geregistreerd, een schriftelijke test af te leggen waaruit blijkt dat zijn theoretisch vakkennis op peil is gebleven. Zolang de uitslag van deze test geen blijk geeft van voldoende vakkennis kan geen herregistratie plaats vinden.

F.7.3. De registratie verloopt indien:

F.7.3.1. de Commissie als tuchtrechtelijke maatregel de abortusarts de registratie ontneemt.

F.7.3.2. de geregistreerde abortusarts gedurende een periode van meer dan 2 jaar geen zwangerschapsafbrekingen meer heeft verricht.

F.7.3.3. de abortusarts de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, waarbij wordt aangetekend dat de registratie

F.7.3.3.1. door de Commissie steeds voor de tijd van één jaar kan worden verlengd indien zich daartegen geen zwaarwegende argumenten verzetten.

F.7.3.3.2. In het geval als bedoeld in art F.7.3.2. kan herregistratie plaats vinden na een door de Commissie vast te stellen procedure.

Goedgekeurd door de leden op de ALV van 20 februari 1999 te Utrecht. Aldus aangenomen door de Algemene Ledenvergadering van het N.G.v.A. op 27 juni 1993 te Utrecht.


© 2004-2010 Nederlands Genootschap van Abortusartsen